WETGEVING - SCHOOL |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I ECHTSCHEIDING I OMGANGSRECHT I ALIMENTATIE I SCHOOL I RECHTEN VAN HET KIND I ERFRECHT I WETSVOORSTEL I |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
14 APRIL 2005 NIEUWE omzendbrief : Ouderlijk gezag in Onderwijsaangelegenheden. NO/2005/01 (13AC) |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Titularissen en inhoud van het ouderlijk gezag.- Aangewezen procedures voor de scholen.- Informatieve omzendbrief aan de schooldirecties van het basis-, secundair en deeltijds kunstonderwijs en de directies van de centra voor leerlingenbegeleiding. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De beslissingen over een minderjarige worden genomen door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen. Voor de school is het niet altijd evident te weten wie het ouderlijk gezag uitoefent of hoe en wanneer de school met hen best communiceert. Bovendien kan de gezinssituatie wijzigen in de loop van de schoolloopbaan. De ouders verwachten dan meestal dat ook de school met deze wijzigingen rekening houdt, pedagogisch en administratief-organisatorisch. Deze omzendbrief wil u informeren over het ouderlijk gezag en over de beste handelwijze bij contacten met de ouders. De concrete toepassing van deze principes blijft de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Het departement Onderwijs staat niet in voor de handhaving of sanctionering van deze rechten en plichten. In de communicatie met de meeste gezinnen stellen zich geen problemen. Beide ouders nemen de beslissingen betreffende het onderwijs samen en vragen zo nodig ook de instemming van hun kind. Ook als maar één persoon het ouderlijk gezag heeft, is er weinig kans op betwisting van zijn of haar beslissingen betreffende het onderwijs en recht op informatie van de school. In de meeste gevallen zal gezond verstand volstaan en is het niet nodig om de ouders met bijkomende formaliteiten te belasten. Moeilijkheden ontstaan vooral tijdens en na echtscheidingsprocedures. Uiteraard is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ouders om de gezamenlijke opvoeding van hun kinderen te organiseren, daarover onderlinge afspraken te maken en een goede communicatie te onderhouden. 2. Titularissen van het ouderlijk gezag 1 In principe zijn de beide oudersvan een minderjarige gezamenlijk verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind (co-ouders). Zij hoeven daarvoor niet gehuwd te zijn of samen te wonen, maar dat zal in de regel wel het geval zijn. Zij nemen solidair de beslissingen betreffende het onderwijs aan hun kind. Eén van de ouders (vader of moeder) kan namens beide ouders optreden tegenover derden die "te goeder trouw" zijn, op basis van een vermoeden van akkoord. 2 Welke personen "te goeder trouw" zijn, is een feitenkwestie die per individueel geval beoordeeld moet worden, desnoods door een rechtbank. De school mag dus de beslissingen (zoals de inschrijving) van één van de ouders uitvoeren, tenzij de school weet dat de andere ouder het er niet mee eens is. In het laatste geval moet de school weigeren de beslissing uit te voeren, zonder uitdrukkelijk akkoord van de andere ouder. Een rechtbank kan beslissen dat één van de (gescheiden) ouders het exclusief ouderlijk gezag krijgt. Deze exclusieve ouder heeft, met uitsluiting van de andere, het gezag over de opvoeding en de goederen van het kind. Bovendien heeft hij of zij (meestal) het kind feitelijk bij zich en neemt hij of zij de beslissingen over de school- en studiekeuze en de keuze godsdienst of zedenleer of vrijstelling. In dat geval moet de school een inschrijving door de andere ouder weigeren. De rechtbank bepaalt meestal, eventueel op voorstel van de ouders, een tussenoplossing waarbij bepaalde beslissingen met instemming van beide ouders moeten worden genomen en voor het overige één ouder alleen verantwoordelijk is. 3 De rechtbank kan ook één of beide ouders volledig of gedeeltelijk ontzettenuit het ouderlijk gezag. In dat geval heeft de betrokken ouder geen beslissings- of toezichtsrecht meer, maar wel nog de onderhoudsplicht. De niet-ontzette ouder of een aangestelde "provoogd" oefent het gezag over de minderjarige uit. 4 2.2. Voogden Wanneer een minderjarige geen ouders (meer) heeft, wordt een voogd aangesteld. 5 De voogd vertegenwoordigt dan de minderjarige 6 en het ouderlijk gezag wordt vervangen door het voogdijgezag. De school voert de beslissingen van de voogd uit en informeert de voogd zoals andere ouders. 2.3. Pleegvoogdij en bijzondere plaatsingsinstituten Pleegvoogden hebben niet alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het ouderlijke gezag of het voogdijgezag. Het ouderlijk gezag of het voogdijgezag blijft in dit geval bij de ouders of voogd. De pleegvoogden oefenen wel enkele prerogatieven van de ouders of voogd uit, zoals het recht van bewaring, als de minderjarige bij hen woont 7 en ze hebben een onderhoudsplicht 8. De zeldzame pleegvoogdij staat los van de meer gangbare gezinsplaatsing in een feitelijk pleeg-, gast- of opvanggezin, dat geen wettelijk gezag of statuut kent. 9 In de praktijk communiceert de school met de pleegvoogden of het pleeggezin over de praktische zaken. De ouders nemen evenwel de beslissingen, die eventueel via de pleegvoogden of het pleeggezin aan de school gecommuniceerd kunnen worden. Geplaatste minderjarigen 10 staan onder toezicht van de jeugdrechtbank, via de sociale dienstvan de Vlaamse Gemeenschap. 11 2.4. Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen zijn zelf verantwoordelijk voor hun daden. Zij nemen zelf de beslissingen betreffende hun onderwijs en kunnen zelf de documenten met betrekking tot hun schoolloopbaan ondertekenen. Een leerling is meerderjarig vanaf de leeftijd van 18 jaar. 12 Een minderjarige is ontvoogd als hij of zij huwt of door een beslissing van de jeugdrechtbank. Er is dan wel een curator van rechtswege (de meerderjarige echtgenoot of echtgenote) of er wordt een curator aangesteld. 13 In de praktijk heeft de curator vooral bevoegdheden over het vermogen en minder over de persoon van de ontvoogde minderjarige. De school kan met de ontvoogde minderjarige communiceren en overleggen. Een meerderjarige die in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordt gelijkgesteld met een minderjarige. 14 Personen of instellingen kunnen de leerling feitelijk onder hun bewaring hebben, zonder enig ouderlijk gezag. Dit is het geval bij gezinsplaatsing of plaatsing in een instelling, opvoeding door de grootouders of andere familieleden,... In verschillende bepalingen in het onderwijsrecht wordt het begrip ouders gedefinieerd als: "de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben". 15 De "personen die het ouderlijk gezag uitoefenen" zijn de (beide) ouders, voor zover ze niet uit het ouderlijk gezag ontzet zijn. De "personen die in rechte de minderjarige onder hun bewaring hebben" zijn bijvoorbeeld de pleegvoogden. De "personen die in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben" zijn niet de personen die een minderjarige occasioneel onder hun hoede hebben, maar wel de pleeg- of stiefouders bijvoorbeeld, die het kind werkelijk bij zich opvoeden. Hoewel zij geen ouderlijk gezag hebben, worden zij in het onderwijsrecht soms met de ouders gelijkgesteld en krijgen zij voor de toepassing van die bepalingen dezelfde rechten. In dat geval kan de school in afwijking op het ouderlijk gezag met deze personen overleggen voor de toepassing van de berokken bepalingen uit de onderwijswetgeving. Het recht van opvoeding omvat het recht van zorg of dagelijkse opvoeding en het beslissingsrecht, onder meer over taal, school, onderwijsrichting, beroep. Het is een recht dat voorbehouden is aan de titularissen van het ouderlijk gezag, als onderdeel van het gezag over de persoon van de minderjarige. Dit recht impliceert voor de school dat de titularissen van het ouderlijk gezag beslissingsrecht hebben met betrekking tot een aantal sleutelmomenten in de schoolloopbaan, zoals: - de school- en studiekeuze; Om dat recht van opvoeding te respecteren is het aanbevolen hiermee rekening te houden in een aantal procedures. In ieder geval is bij de inschrijving enige waakzaamheid geboden. De omzendbrief NO/205/SH/AS/MPV van 10 november 1983: "Inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen" bepaalt welke documenten de inschrijver voor kan leggen om de identiteit van de leerling te bevestigen. In geval van twijfel over de identiteit van de inschrijvende (vermeende) ouder en/of van de relatie tot de leerling kan de school telefonisch contact nemen met de bevolkingsdienst of de vorige school of kunnen bijkomende documenten zekerheid verschaffen. 16 De beste garanties biedt de gezamenlijke inschrijving door beide ouders. Een afzonderlijke inschrijving door de ouder die de leerling feitelijk bij zich heeft, met machtiging of instemming van de andere ouder is een goed alternatief. Maar een afzonderlijke inschrijving kan ook zonder een uitdrukkelijke machtiging of instemming van de andere ouder. Het is dan van belang om uitdrukkelijk, maar tactvol te vragen naar de gezinssituatie, meer bepaald of de ouders co-ouders zijn. In dat laatste geval moet de school op gelijke wijze met beide ouders overleggen en communiceren. Als de school op de hoogte is van onenigheid, bijvoorbeeld door ervaring met een broer of zus, vraagt u toch best de uitdrukkelijke instemming van beide ouders. De inschrijving 17 (of de periode onmiddellijk daarna) is ook het beste moment om afspraken te maken over de bepaling van "het gezinshoofd", over de communicatie (in persoon, via de leerling, via de post, telefoon, e-mail, ...) met alle belanghebbenden (ouders, grootouders, stiefouder, pleegouders, ...), over de familiale verzekering en over het adres voor de facturen. Deze afspraken kunnen dan verder worden gerespecteerd tot de overgang naar een andere school of tot ze worden gewijzigd, op initiatief van de (bij voorkeur beide) co-ouders of van de exclusieve ouder. Bij twijfel laat u best deze afspraken nog eens schriftelijk bevestigen. Als de ouders bij de inschrijving twee verschillende adressen opgeven, zal de briefwisseling naar beide adressen moeten gestuurd worden, tenzij de ouders hiervan uitdrukkelijk willen afwijken. Het schoolreglement is een ideaal instrument om het gezinsbeleid in het algemeen van de school te expliciteren en om vooraf te bepalen hoe de communicatie met de ouders in de regel verloopt. Bij de inschrijving moeten de school en de ouders dan enkel bijkomende afspraken maken die wenselijk of vereist zijn door de specifieke gezinssamenstelling. Als één van de (gescheiden) ouders het exclusief ouderlijk gezag krijgt, heeft de andere ouder het recht op toezicht. Dit houdt onder meer in dat hij of zij geïnformeerd moet worden over de opvoeding van het kind (schoolresultaten, oudercontacten, leerlingenbegeleiding, ...) en dat hij of zij bij de jeugdrechtbank of de kortgedingrechter een verhaalrecht heeft tegen beslissingen van de exclusieve ouder. De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd. Het recht van de toeziende ouder of voogd op toezicht op de opvoeding van de leerling en het recht op objectieve informatie hierover is niet afhankelijk van de goedkeuring van de exclusieve ouder en kan niet beperkt worden op grond van praktische bezwaren. In elk geval (behoudens ontzetting uit het ouderlijk gezag) en dus ook zonder co-ouderschap moet de school beide ouders informeren over schoolresultaten, begeleidingsactiviteiten, oudercontacten, informatievergaderingen, bevoegd centrum voor leerlingenbegeleiding, schoolfeesten, enzovoort (actieve informatieplicht). Als een tuchtprocedure wordt gestart tegen de leerling, moeten beide ouders op de hoogte gebracht worden. De school kan niet automatisch veronderstellen dat de informatie beide ouders bereikt, maar kan wel met de ouders afspreken dat informatie, zoals de klasagenda, via de ene ouder bij de andere ouder terecht komt. De school zal ook zoveel mogelijk alle informatie die de leerling meekrijgt dubbel of parallel aanbieden. Ondanks dergelijke afspraak mag de school de informatie niet weigeren als de andere ouder daarom vraagt (passieve informatieplicht). 18 Dit betekent niet dat de school verplicht is vragen te beantwoorden die onredelijke eisen qua tijd en middelen stellen, zoals het opstellen van een verslag of het invullen van een vragenlijst. Ook familieleden hebben recht op informatie. De grootouders en iedereen die een bijzondere affectieve band aantoont (de stief- of pleegouder, broers en zussen bijvoorbeeld), hebben in principe recht op persoonlijk contact met de leerling. Bij gebrek aan overeenkomst, beslist de jeugdrechtbank. 19 Meer algemeen wijs ik er op dat de onderwijsinstellingen ook onderworpen zijn aan de openbaarheid van bestuur. 20 De ouder die niet aanwezig was bij de inschrijvingdoor de andere ouder en die deze inschrijving niet wil aanvaarden, kan verhaal aantekenen bij de rechter. De leerplichtige leerlingen moeten uiteraard aanwezig zijn op de school waar ze ingeschreven zijn. 21 Als een co-ouder of exclusieve ouder de leerling in een tweede school inschrijft en deze school de formaliteiten inzake schoolverandering vervult, zoals de verwittiging van de eerste school, is de leerling een regelmatige leerling in de laatste school. Een leerling die in twee scholen ingeschreven is, is geen regelmatige leerling. 22 De school aanvaardt evenwel geen beslissing van een co-ouder, als de andere co-ouder zich daar uitdrukkelijk tegen verzet heeft. Het behoort niet tot de taak van de school om de andere co-ouder te vragen naar zijn of haar intenties hiertoe. De school moet steeds uitgaan van een vermoeden van instemming. De school komt niet tussen in de echtelijke betwistingen en respecteert het ouderlijk gezag en de beslissingen die de co-ouders genomen hebben toen ze het vermoedelijk nog eens waren. De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd. Als de ouders hun kind in verschillende scholen willen inschrijven, kan de school niet trancheren. Het kind is dan ingeschreven tot uit de feiten het tegendeel blijkt. Als een ouder zich niet kan verzoenen met een beslissing van of informatieaan de andere ouder en de school met de beide ouders geen overeenstemming kan bereiken, kan de school de ouders verwijzen naar het centrum voor leerlingenbegeleiding, dat in het kader van zijn draaischijffunctie, na onderzoek, de ouders verder kan doorverwijzen. Dit alles ontslaat de school echter niet van haar verantwoordelijkheid om eventuele onwettelijke situaties te melden aan de bevoegde instanties. De school licht de beide ouders hiervan vooraf in. Het Kinderrechtencommissariaat is bevoegd om klachten te onderzoeken van zowel het kind, als de ouders of een derde betreffende de toepassing van het internationaal verdrag van 20november 1989 inzake de rechten van het kind. 23 In het uiterste geval beslist de jeugdrechtbank 24 wie de beslissing mag nemen of de jeugdrechtbank beslist zelf, in het belang van het kind, en zo nodig na het kind zelf te hebben gehoord 25. Bij geschillen tussen een minderjarige leerling en zijn of haar ouders, hebben de ouders het laatste woord, onverminderd hun wederzijdse plicht tot respect 26. Een minderjarige kan (formeel) zelf de rechtbank niet vragen om tussen te komen. Door adoptie krijgt de geadopteerde de naam van de adoptant. 27 De naam kan ook veranderen als de vader het kind pas erkent na de geboorteaangifte door de moeder. 28 Ook na een echtscheiding of de nieuwe samenstelling van het gezin kan de leerling (via zijn wettelijke vertegenwoordiger) aan de Federale Overheidsdienst Justitie vragen om zijn naam te veranderen. Die naamsverandering is geen recht en kan maar uitzonderlijk onder de wettelijk bepaalde voorwaarden worden toegestaan. 29 De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan als hij meent dat het verzoek op ernstige redenen steunt. Adopties, scheiding en wettiging van kinderen zijn geldige redenen. Het koninklijk besluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Zestig dagen na de publicatie wordt de naamsverandering definitief, maar ze heeft pas gevolgen op de dag van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand. Vanaf dan kunnen de bevolkingsregisters en de identiteitskaart, identiteitsstuk of identiteitsbewijs worden aangepast. Deze naamsverandering wijzigt op zich niets aan het ouderlijk gezag. Om de privacy van de leerling en zijn familie niet te schenden is het aangeraden om de inlichtingen over het gezin bij de inschrijvende ouder of ouders zelf te verzamelen. De onderwijsinstellingen moeten uiteraard de wetgeving inzake de privacy naleven en discreet zijn met de informatie in de leerlingenadministratie, het leerlingvolgsysteem en/of het leerlingendossier. 30 Het is daarbij belangrijk sober en ter zake te zijn en het inzage- en verbeteringsrecht van de leerling en de ouders te respecteren. Voor bewaring in het administratief dossier volstaan veelal de identiteit en communicatiegegevens van de persoon of personen die beslissingen mogen nemen en de identiteit en communicatiegegevens van de persoon of personen die op de hoogte moeten worden gehouden. Op die manier blijft de informatie ook langer actueel. De officiële documenten kunnen na controle worden teruggegeven. De informatie wordt overbodig na de uitschrijving. 6.3. Informatie voor ouders en leerkrachten Ouders vinden informatie over het bovenstaande in de brochure "Gids voor ouders met kinderen in het basisonderwijs". 31 Deze brochure is ook beschikbaar in het standaard Arabisch, Engels en Turks. Er is ook een "Gids voor leerlingen secundair onderwijs" 32, waarvan ook vertalingen gepland zijn. De cel Publicaties Onderwijs is bereikbaar via onderwijspublicaties@vlaanderen.be, telefoonnummer 02-553 66 53 of faxnummer 02-553 66 54. Leerkrachten vinden hulp in de fiche 13 "Echtscheiding/nieuwe gezinnen" in de reeks "de eerste lijn" van Klasse 33, in de studie "Nieuwe gezinsvormen en onderwijsparticipatie in Vlaanderen" in opdracht van het departement Onderwijs 34 en in de brochure "Leven in een eenoudergezin - Getuigenissen van ouders en kinderen" (redactie Bea Bossaerts), waarvan elke leerkracht in het basisonderwijs een gratis exemplaar kreeg 35. - (1): Opgelet: wat volgt is een beknopte schets van het huidig juridisch kader sinds 3 juni 1995, dat overigens grotendeels een federale materie is. Het is onvolledig en voor de leesbaarheid is een vereenvoudigde terminologie gebruikt. Het is dan ook niet dienstig om een juridische argumentatie op te bouwen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De school en kinderen van gescheiden ouders | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden
Het ouderlijk gezag geldt enkel ten aanzien van minderjarigen die de Belgische nationaliteit hebben. Meerderjarigen, zelfs wanneer zij nog secundair onderwijs volgen, nemen zelf de beslissingen omtrent hun persoon. Ontvoogde minderjarigen zijn evenmin aan het ouderlijk gezag onderworpen. Voor minderjarige leerlingen van vreemde nationaliteit geldt het eigen nationaal stelsel van personen- en familierecht. Luidens artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek (zie bijl. 2) oefenen de ouders, wanneer zij samenleven, het gezag over het kind gezamenlijk uit.
4. Niet-samenlevende ouders
c) De regeling voor niet-samenlevende ouders is van toepassing op : - feitelijk gescheiden echtparen; - uit de echt gescheiden ouders; - ouders die vroeger samenleefden; - ouders die nooit hebben samengeleefd. 5. Ontzetting uit het ouderlijk gezag Door een rechterlijke beslissing kan een ouder ontzet worden uit het ouderlijk gezag. Deze ouder heeft geen beslissingsrecht in verband met de opvoeding en evenmin een recht op informatie. De schooldirecteurs worden verzocht de wetgeving inzake ouderlijk gezag bij alle beslissingen in verband met de opvoeding van de leerlingen na te leven, o.m. - bij de inschrijving van leerlingen; Wat het recht op informatie betreft, inzake de opvoeding van een kind (meedelen schoolresultaten, oudercontact, PMS-begeleiding, ...), dit komt elke ouder onverkort toe, uitgezonderd bij ontzetting uit de ouderlijke macht. Informatie moet dus ook verstrekt worden aan de ouder aan wie bij een rechterlijke beslissing geen beslissingsmacht inzake de opvoeding is gegeven. Noot: Men moet een onderscheid maken tussen de opvoedingsregeling en verblijfsregeling! STUDIEDAG: De problematiek van (echt)scheidingen vraagt een degelijke goed uitgebouwde en ondersteunende begeleiding bij: 1) Ouderlijke conflicten 2) relaties tussen ouders en kinderen tijdens en na de scheiding. 3) het onderhouden van de kwaliteit van de opvoeding na de scheiding. (is niet gebonden aan de kwantiteit!!) Ook de ouder met bezoekrecht moet hierin betrokken worden. Sociale steun via de school kan voor een emotionele en cognitieve ondersteuning zorgen van de jongeren en de ouders. Deze emotionele en cognitieve ondersteuning zorgt voor betere schoolprestaties. EEN DEMOCRATISCHE SCHOOL IS EEN ZORGZAME SCHOOL. In de namiddag werden vier werkgroepen gevormd omheen de volgende thema's: Werkgroep 1 : over de praktische en administratieve aspecten. Ze werd geleid door Jan Schokkaert en Ann Hendrickx van de dienst Leerlingen en Schoolorganisatie van het Verbond van het Vrij Katholiek Secundair Onderwijs. Na een verduidelijking van de wettelijke bepalingen ook zoals ze vervat liggen in de expliciterende ministeriële omzendbrieven werden een zestal werkgroepen van 6 of 7 deelnemers gevormd. Alle werkgroepen kregen een algemene casus en 10 concrete cases uit de werkelijkheid van de relatie van de ouders met de school bij scheiding. De algemene casus stuurt aan op een reflectie over een mogelijk eenvormig inschrijvingsformulier voor leerlingen. De bedoeling is bij het begin al informatie te verzamelen ook in verband met de contacten op school met de ouders in toepassing van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. (Zie Klasse Echtscheiding/nieuwe gezinnen, de eerste lijn, nr 13.) Zorg voor genoeg informatie: Een inschrijvingsformulier dat vraagt naar de naam van de vader en de moeder en waarop slechts plaats is voor één adres is niet geschikt voor leerlingen met gescheiden ouders. Zorg voor genoeg plaats voor alle informatie Welke problemen worden op die wijze voorkomen ? Wil je deze lijst nog aanvullen ? Is dit de beste handelswijze? Heb je een ander voorstel ? Uit de besprekingen bleek dat wanneer duidelijk wordt dat elk van de beide ouders op een verschillend adres woont, die beide ouders bij het schoolgebeuren moeten worden betrokken. Zij krijgen best beiden een exemplaar van het inschrijvingsformulier thuis toegezonden om in te vullen. Omdat zij beiden in de regel met de gezamenlijke uitoefening van het gezag bedeeld zijn, moeten de scholen het begrip van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag uit de wet consequent toepassen en aan beiden gelijkelijk de nodige informatie overmaken. Daar waren alle schoolverantwoordelijken wel niet meteen volledig voor te vinden. Prof. Senaeve wees hun er nochtans op dat ze zich niet kunnen verbergen achter "het vermoeden van instemming" vanwege de andere ouder en het wettelijke principe wel degelijk moeten respecteren. 5. De crisisopvang en doorverwijzing. Over dit onderwerp kan ik vrij kort zijn. Een gekend probleem is de overvloed aan hulpvragen binnen de hulpverlening en de daardoor ontstane wachtlijsten. Moet een leerling hierdoor in de koude blijven staan? Het aanwenden van vertrouwenspersonen binnen de school kan hier al een groot stuk voor ondersteuning bieden. Zoals hierboven reeds aangegeven is het niet de bedoeling om oplossingen te biden voor de zich aandienende problematiek. Oplossen kan niet, een luisterend oor met de aangepaste vorm van respect en begrip kan denk ik wel. Indien we informatie hebben en we zien de problemen, waarom dan geen stap naar de leerling zetten? De school kan de nodige veiligheid en steun bieden in moeilijke momenten. De problematiek trachten te begrijpen en er begrip voor opbrengen, zonder normoverschrijdend gedrag goed te keuren behoort tot de mogelijkheden. Als leerkracht, opvoeder, coördinator en directie kan men de kans bieden aan de leerlingen en hun ouders om hun verhaal, emotie en angsten kwijt te geraken. Dit alles kan in een begripvolle sfeer zonder daarin in de partijdigheid te vervallen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Schoolvakanties tot 2010 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Vooral ouders die geen of nauwelijks contact meer hebben met hun kinderen verliezen vaak ook de voeling met het schoolgebeuren. Hieronder geven we een meer-jaren overzicht van alle schoolvakanties in Vlaanderen tot 2010
Principes schoolvakantieregeling De vakantieregeling in het onderwijs berust op vaste principes, zodat begin- en einddatum van alle vakantieperiodes duidelijk zijn vastgelegd (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). Principes schoolvakantieregeling
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Frank Vandenbroucke 13 juni 2006 Cijfers leren ons dat de slaagkansen van leerlingen en studenten in het onderwijs stijgen, naarmate de instapleeftijd in het onderwijs van de betrokken leerlingen en studenten daalt. Met andere woorden: hoe jonger men start met onderwijs, hoe hoger de slaagkansen. Evenzeer is het zo dat ook het behalen van hogere kwalificaties zorgt voor meer kansen. Vroeg starten en voldoende lang studeren is dus de boodschap. We moeten echter vaststellen dat studeren, of het nu gaat over een student aan de universiteit, of een kleuter in de eerste kleuterklas, een extra kost met zich brengt. Ik stel daarom een meersporenbeleid voor, dat gestoeld is op een combinatie van maatregelen gericht op kosteloosheid en kostenbeperking die alle ouders ten goede komen (universaliteit) en maatregelen in het kader van het studietoelagenstelsel die vooral ten goede komen aan de ouders die er het meest nood aan hebben (selectiviteit). Deze combinatie moet er voor zorgen dat we elke ouder en elke student een kwalitatief hoogstaand maar ook betaalbaar onderwijs aanbieden. Bovendien is het mogelijk dit sociale beleid te koppelen aan belangrijke uitdagingen op het vlak van onderwijskwaliteit en gelijke kansen, zoals vroege participatie van kleuters, verantwoordelijkheid van de ouders van spijbelende leerlingen, en eventueel zelfs aan een nieuw financieringssysteem van scholen op basis van sociaal-economische en sociaal-culturele kenmerken van de schoolbevolking. Vandaag gaat het decreet basisonderwijs ervan uit dat aan ouders geen bijdragen gevraagd kunnen worden voor alle materies die gekoppeld zijn aan het bereiken van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen (we noemen dit gemakshalve de “echte onderwijskosten”). Concreet worden daar de kosten van activiteiten en schoolbenodigdheden mee bedoeld die echt nodig zijn om de eindtermen te halen. Enkele voorbeelden zijn de schoolboeken, fotokopieën, schriften, schoolagenda, schrijfgerief, maar ook woordenboeken en rekenmachines. De Commissie Zorgvuldig Bestuur heeft in het verleden meermaals dat onderscheid geduid : potloden, gom, puntenslijper, passer, gradenboog, lat, stiften, schaar e.a. werden duidelijk gecatalogeerd als materialen, noodzakelijk in het kader van eindtermen en ontwikkelingsdoelen en zijn dus, toch voor wat het basisonderwijs betreft, kosteloos voor de ouders. De ouders zijn er dus niet toe gehouden de kosten die in dit verband gevraagd worden, te betalen. Een aantal andere diensten of goederen (kaftpapier, turnzak, ringmappen, boekentassen, schooletuis, e.a.) hoe nuttig ook, zijn evenwel niet noodzakelijk in het kader van eindtermen en ontwikkelingsdoelen en hiervoor kan dus een bijdrageregeling gelden. We stellen vandaag echter twee problemen vast. Om te beginnen blijkt de decretaal verplichte kosteloosheid voor de echte onderwijskosten nog steeds niet gerealiseerd. Heel wat scholen rekenen dit soort kosten nog steeds door aan ouders. De reden hiervoor is eenvoudig : scholen hebben zelf onvoldoende werkingsmiddelen om deze decretale verplichting na te leven. Ten tweede stellen we vast dat naast de “echte onderwijskost” ouders dus een aantal schoolrekeningen gepresenteerd krijgen voor materialen en activiteiten die het onderwijs levendiger maken, maar niet strikt nodig zijn. Het gaat dan zoals eerder gesteld om kaftpapier, ringmappen, boekentassen enz., maar bijvoorbeeld ook om het gebruik van tijdschriften, of om extra-muros activiteiten (daguitstappen, theaterbezoek, film, meerdaagse uitstappen zoals de bos- en zeeklassen). Ik hoed me ervoor om dit soort activiteiten te fnuiken – voor een aantal kinderen bieden ze kansen die ze thuis niet krijgen– maar ook deze kosten moeten voor alle ouders betaalbaar blijven. Om deze twee problemen op te lossen stel ik het volgende voor : • de decretaal voorziene kosteloosheid wordt vanaf het schooljaar 2007-2008 gerespecteerd door alle basisscholen, zowel voor kleuters als voor de leerlingen van het lager onderwijs. • Voor de kosten die toch nog kunnen worden doorgerekend wordt stapsgewijze een plafonnering doorgevoerd in de vorm van een “dubbele maximumfactuur” . a. een zeer scherpe maximumfactuur voor uitgaven die verband houden met de aankoop van mappen, tijdschriften en de kosten voor extra-muros activiteiten van maximum één schooldag. Scholen kunnen dan zelf beslissen op welke soort initiatieven ze de klemtoon leggen. Wat het stelsel van de maximumfactuur betreft zullen we nog dit jaar een overleg opstarten met het oog op een stapsgewijze implementatie in de loop van de legislatuur Om de scholen in staat te stellen deze engagementen te realiseren wil ik een dubbele inspanning leveren. Reeds in 2007 wil ik elke school per kind (zowel in het kleuteronderwijs als in het lager onderwijs) 45 euro extra werkingsmiddelen toekennen. Dit betekent dat de werkingsmiddelen voor het gehele basisonderwijs met 29,5 miljoen euro stijgen tot 340 miljoen wat een toename betekent van bijna 10%. Daarnaast wil ik ook nog een tweede inspanning leveren met betrekking tot de werkingsmiddelen. In de loop van deze regeerperiode wordt immers ook een nieuwe financieringssysteem ontwikkeld. Daarbij zullen scholen gesubsidieerd of gefinancierd worden op basis van leerling- en schoolkenmerken, zonder onderscheid tussen de netten. Dit nieuwe financieringssysteem zal in eerste instantie slaan op de werkingsmiddelen van de scholen, waarvan het globale budget aanzienlijk verruimd zal worden. Voor het basisonderwijs (kleuter- en lager onderwijs samen) voorzien we in dit kader additioneel nog eens 85,2 mio euro. Een stijging met 27% op jaarbasis, op te starten in 2008 en volledig te realiseren in 2009. Om de juiste verdeling van dit bijkomende werkingsbudget over de scholen te kennen, is het vandaag nog veel te vroeg, maar het volgende cijfer geeft een aanduiding: gemiddeld genomen komt de verhoging neer op: 85.233.330/655.641 = 130 euro extra per leerling in het basisonderwijs.) Opgepast dus: voor sommige scholen zal dit minder zijn, voor anderen meer.) Daarbovenop wil ik de komende jaren ook nog budgettaire inspanningen leveren om het ICT-budget van de scholen te versterken. Behoud en effectieve toepassing van een aantal bestaande principes Het is belangrijk dat intussen een aantal verworven principes niet alleen behouden blijven, maar ook goed worden toegepast: • de ouders moeten via de bijdrageregeling op voorhand zicht krijgen op de kosten die doorgerekend kunnen worden; • de bijdrageregeling moet in de schoolraad (waarin de ouders vertegenwoordigd zijn) besproken worden De Commissie Zorgvuldig Bestuur is de instantie die overtredingen onderzoekt en eventueel sanctioneert. Daarnaast is het belangrijk dat scholen een inspanning doen om, met de werkingsmiddelen waarover ze beschikken, zo kostenefficiënt mogelijk op te treden. Projecten die we ondersteunen met het Vlaamse departement Onderwijs, tonen aan dat op dat vlak nog heel wat mogelijk is. Eén van de goede praktijkvoorbeelden is de organisatie ‘VZW Schulden op School' die meerdere mogelijkheden mbt het beperken van schoolkosten hebben onderzocht, maar ook het maken van afspraken binnen lokale overlegplatforms die leiden tot een gezamenlijke beheersing van kosten door alle scholen binnen een bepaalde regio zijn zeer succesvol. Conclusie Globaal genomen wordt er de komende jaren dus bijkomend 114,7 mio euro voorzien voor werkingsbudgetten van basisscholen. 29,5 miljoen zal onmiddellijk en lineair per leerling worden toegekend, 85,2 miljoen zal geleidelijk worden verdeeld met het oog op het gelijk leggen van de lat tussen de netten en het invoeren van een nieuw financieringssysteem op basis van school en leerlingenkenmerken. Het is niet haalbaar om in het secundair onderwijs het principe van de kosteloosheid in te voeren. Het is echter wel hard nodig om ook daar de kosten voor de ouders te drukken. Dit veronderstelt een beleid van kostenbeheersing en beperking van de facturen. Tengevolge van de verscheidenheid aan studierichtingen is dit in het secundair onderwijs een complexe opgave, waar we in het bestek van deze nota niet op kunnen ingaan. Een en ander vergt verder onderzoek en overleg. Drie vaststellingen maken bijkomende maatregelen nodig: • In het secundair onderwijs worden ouders hoe dan ook geconfronteerd met aanzienlijke facturen. • Een kordate uitvoering van het principe van de kosteloosheid verhindert in het basisonderwijs niet dat ouders nog geconfronteerd worden met bepaalde kosten. • We moeten middelen vinden om kansarme ouders van jonge kleuters te interesseren voor de kleuterschool. Daarom stellen we een grondige hervorming voor, waarbij kinderen van gezinnen die financieel zwak staan, vanaf de eerste kleuterklas tot en met het hoger onderwijs in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Vandaag bestaan aparte stelsels van studietoelagen voor het hoger onderwijs en voor het secundair onderwijs. Voor het basisonderwijs is nu niets voorzien. Basisprincipe: invoering van een uniek gezinsdossier Het te ontwikkelen stelsel zal gebaseerd zijn op een uniek gezinsdossier voor alle leerlingen en studenten in het onderwijs van de Vlaamse gemeenschap. Momenteel dienen de ouders nog een apart gezinsdossier in voor studenten van het hoger onderwijs en voor leerlingen van het secundair onderwijs. Dit leidt niet alleen tot onnodige administratieve last voor het departement Onderwijs en voor de ouders, maar ook tot heel veel verwarring en misverstanden. Omdat de toekenningscriteria erg verschillend zijn in het hoger en het secundair onderwijs, moeten we vaak uitleggen aan ouders waarom b.v. één van hun kinderen in het hoger onderwijs wèl in aanmerking komt voor studiefinanciering, terwijl een broer of zus in het secundair onderwijs niet in aanmerking komt. Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van het stelsel. We stellen voor de criteria die gelden voor het secundair onderwijs en het basisonderwijs af te stemmen op de criteria die nu gelden voor het hoger onderwijs. We kunnen dan het bestaande verwerkingsprogramma voor het hoger onderwijs uitbreiden naar het secundair onderwijs en naar het basisonderwijs, zodat ouders voor alle leerlingen en studenten binnen hun gezin een een toelage zullen kunnen aanvragen via één enkel aanvraagformulier. Dit betekent om te beginnen minder papierwerk en bovendien moeten ook de nodige documenten maar één maal worden bijgevoegd. De verwerking van de aanvragen, die momenteel voor het hoger en het secundair onderwijs door twee ploegen gebeurt die gespecialiseerd zijn in de wetgeving van het hoger of het secundair onderwijs, zal op basis van het uniek gezinsdossier door één ploeg dossierbehandelaars gebeuren voor hoger, secundair en basisonderwijs. Dit heeft het voordeel dat een dossier van het begin tot het einde door dezelfde dossierbehandelaar zal opgevolgd worden voor alle leerlingen en studenten binnen datzelfde gezin. Dit zal de snelheid van de behandeling ten goede komen. Misschien nog belangrijker is het feit dat de invoering van dit uniek gezinsdossier betekent dat alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tussenkomst, namelijk de nationaliteitsvoorwaarde en financiële voorwaarden, voor alle onderwijsniveaus gelijk worden. Gezien de verschillende inhoud van de verschillende onderwijsniveaus, zullen de pedagogische voorwaarden wel verschillen. Daarnaast zullen, gezien de verschillende studiekost naargelang het onderwijsniveau, ook de toelagebedragen verschillen. Concreet betekent dit dat indien een gezin met kinderen in verschillende onderwijsniveaus in aanmerking komt voor een studietoelage voor één van de kinderen, dat gezin per definitie ook in aanmerking komt voor een studietoelage voor de kinderen in de andere onderwijsniveaus. Daardoor vermijden we niet alleen dat beslissingen van de overheid ongeloofwaardig overkomen (waarom wordt mijn kind in het hoger onderwijs anders beoordeeld dan mijn kind in het hoger onderwijs?). Het motiveert ook de ouders om hun kinderen te laten verder studeren, want nog voor hun zoon of dochter aan de hogere studies begint, weten ze dat ze in aanmerking komen voor een toelage. Wat de studiefinanciering in het hoger onderwijs betreft, werden in het recente verleden al heel wat inspanningen gedaan. Een onderzoek dat recent onder leiding van professor Bea Cantillon op dit vlak werd gevoerd rond alternatieve vormen van studiefinanciering, leert ons dat het systeem van studietoelagen in het hoger onderwijs nu behoorlijk functioneert. Het is dan ook voorlopig niet de bedoeling te raken aan het stelsel voor het hoger onderwijs . We moeten wel iets anders doen: de subsidies voor de sociale voorzieningen van de hogescholen (voor goedkope restaurants, goedkope huisvesting, enz.) gelijktrekken met die voor de universiteiten. Het verschil tussen de sociale sector van de hogescholen en de universiteiten wegwerken, kost op jaarbasis 11 miljoen euro. We voorzien daarom een verhoging met dit bedrag van de subsidies voor de sociale voorzieningen aan de hogescholen tegen het einde van de legislatuur. Secundair onderwijs: studietoelagen en studiepremies Zoals gezegd vertonen de wetgeving studiefinanciering hoger onderwijs en de wetgeving studietoelagen voor het secundair onderwijs, momenteel grote verschillen. Hierdoor komen er in het secundair onderwijs proportioneel gezien veel minder leerlingen in aanmerking voor een studietoelage. De financiële voorwaarden om in aanmerking te komen voor een studietoelage in het secundair onderwijs, zijn inderdaad veel minder gunstig dan voor het hoger onderwijs. De bedragen en de wetgeving voor studietoelagen in het secundair onderwijs in het algemeen werden al te lang niet meer aangepast. Zo werden in het voorbije academiejaar 2004 – 2005 maar iets meer dan 72.000 toelagen secundair onderwijs uitbetaald voor een totaalbedrag van 12.000.000 €. Dertien jaar eerder reikten we nog ongeveer 107.000 toelagen voor een totaalbedrag van ongeveer 16.700.000 € uit (in euro's van 13 jaar geleden!). Er worden dus steeds minder toelagen uitgekeerd in het secundair onderwijs, voor een steeds kleiner totaalbedrag, terwijl dat totaalbedrag onder invloed van de indexeringen eigenlijk zou moeten stijgen. Een herziening van de inkomstengrenzen en daardoor van de bedragen is dan ook meer dan dringend. Evolutie toekenningen en gemiddelde studietoelagen secundair onderwijs
Zoals al werd aangekondigd op de persconferentie op 7 februari jongstleden, wordt momenteel gewerkt aan een nieuw stelsel van studietoelagen voor het secundair onderwijs, waarbij de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een studietoelage in het secundair onderwijs, gelijk worden gelegd met de voorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs. Hierdoor zullen vanaf schooljaar 2007-2008 ongeveer 27 000 leerlingen méér in aanmerking komen voor een studietoelage secundair onderwijs, en zal bovendien de gemiddelde studietoelage stijgen van 164 euro naar ongeveer 200 euro (een gemiddelde betekent uiteraard dat de stijging voor sommigen veel belangrijker zal zijn, en voor anderen minder belangrijk). Hiervoor wordt een budget van 10 miljoen euro extra uitgetrokken. Samen met het huidige budget van ± 12 miljoen euro, zal vanaf het schooljaar 2007-2008 bijgevolg ± 22 miljoen euro aan middelen worden uitgetrokken voor toelagen in het secundair onderwijs. Het aantal gerechtigden zal stijgen van 17% naar 25%. Bijkomend willen we een extra inspanning doen, via een verhoogde studietoelage , voor leerlingen die het 7 de jaar TSO en BSO volgen. Deze leerlingen, die normaal gesproken al aan het werk zouden kunnen gaan, doen immers een bijzondere inspanning om zich te specialiseren, en (in het geval van BSO-leerlingen) om een volwaardig diploma van hoger secundair onderwijs te verwerven. Dat verdient een bijzondere aanmoediging waardoor hun studietoelage 20% hoger zal liggen dan een gewone studietoelage. Naast studietoelagen komen er ook bijkomende studiepremies voor leerlingen die een dure opleiding volgen in een richting die relevant is voor de arbeidsmarkt. We onderzoeken daarbij of het mogelijk is deze aanvullende premie niet alleen te geven aan leerlingen die een studietoelage genieten, maar aan leerlingen uit gezinnen waarvan het inkomen een zeker percentage boven het maximaal toegelaten inkomen voor een studietoelage ligt (een beetje te vergelijken met het onderscheid tussen een beursstudent en een “bijna-beursstudent” dat in het hoger onderwijs gehanteerd wordt). Op die manier kunnen we de groep verruimen. Daarnaast moeten punctuele acties mogelijk blijven om leerlingen aan te moedigen om bepaalde opleidingen te kiezen die leiden naar knelpuntberoepen. Dit gebeurt nu al voor een reeks van opleidingen, waarbij een 4000 leerlingen een tegemoetkoming van gemiddeld 250 euro krijgen in de opleidingskost. Deze knelpuntpremie geldt voor alle leerlingen ongeacht het gezinsinkomen. Het pas ingevoerde premiestelsel zal worden geëvalueerd in de loop van het volgende schooljaar. Voor studiepremies en knelpuntpremies is een budget van 5 miljoen euro voorzien . Basisonderwijs: schooltoelagen Voor leerlingen in het kleuter- en lager onderwijs in de Vlaamse gemeenschap wordt momenteel niet voorzien in financiële ondersteuning voor de gezinnen waarvoor de schoolfactuur het zwaarst doorweegt. Zoals eerder gesteld zal een dergelijke factuur altijd blijven bestaan – zelfs bij een kordaat beleid dat gericht is op kosteloosheid voor alles wat strikt samenhangt met de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Via de invoering van een schooltoelage voor kleuters en leerlingen in het basisonderwijs kunnen we deze blijvende kost voor een aantal gezinnen sterk beperken. Als we de huidige voorwaarden voor een studietoelage in het hoger onderwijs toepassen in het basisonderwijs, zal daar één op vier leerlingen in aanmerking komen voor een schooltoelage. Dit betekent dat voor het kleuteronderwijs 25 % van de 234.963 leerlingen (aantal in 04-05) in aanmerking zal komen voor een schooltoelage, wat neer komt op in totaal 59.000 schooltoelagen voor het kleuteronderwijs. Voor het lager onderwijs zal 25 % van 420.678 leerlingen (aantal in 04-05) in aanmerking komen , wat neer komt op in totaal 105 000 schooltoelagen voor lager onderwijs. In een eerste fase wordt hiervoor 10 miljoen euro uitgetrokken. Daarmee kunnen we toelagen uitbetalen van gemiddeld 60 euro. Afhankelijk van het gezinsinkomen zal dit voor sommige kinderen meer zijn, en voor anderen minder. Het is mogelijk al deze voorstellen uit te voeren binnen de marges die voor de komende jaren voorzien zijn in de onderwijsbegroting. Het is dus niet nodig hiervoor extra middelen te vragen aan de Vlaamse Regering. Op dit ogenblik zijn we ver gevorderd met de voorbereiding van de decretale teksten m.b.t het nieuw stelsel van studietoelagen voor het secundair onderwijs. Het is mogelijk een decretale basis voor het geheel van studietoelagen (in hoger en secundair onderwijs), studiepremies (in het secundair onderwijs) en schooltoelagen (in het basisonderwijs) te creëren tegen juli 2007. Met betrekking tot het secundair onderwijs kan de uitvoering starten in het schooljaar 2007-2008, met effectieve betalingen ook in de loop van datzelfde schooljaar. Voor de knelpuntpremies werd al de decretale basis gelegd. De schooltoelagen in het basisonderwijs zullen we uitkeren vanaf het daarop volgend schooljaar (2008-2009) omdat dit volledig nieuw is en hierdoor meer voorbereidend werk vraagt. De maatregelen die hierboven voorgesteld werden, hebben een sociaal en financieel karakter. Omdat ze op het Vlaamse niveau uitgewerkt worden en beheerd door het departement Onderwijs, is het mogelijk ze te verbinden met belangrijke doelstellingen van het onderwijsbeleid. Aanmoediging voor kleuterparticipatie Op dit ogenblik leggen we de laatste hand aan een plan om de participatie van kleuters aan het onderwijs te verhogen. Terzake wordt deze week nog een nota voorgelegd aan de coalitiepartners. Doel is niet alleen alle kleuters ingeschreven te krijgen in een school, maar er ook voor te zorgen dat ze effectief aanwezig zijn. Vroege schoolse participatie is immers één van de kritische succesfactoren voor een succesvolle schoolloopbaan. De voorgestelde acties betreffen ondermeer het in kaart brengen van de niet ingeschreven kleuters, sensibiliseringsmaatregelen en het versterken van de omkadering en ondersteuning voor het kleuteronderwijs. Vermits we met name kansarme kleuters in de kleuterscholen willen krijgen, is het belangrijk dat de principes van kosteloosheid en kostenbeheersing onverkort gelden in het kleuteronderwijs. Daarnaast wil ik de “schooltoelage” voor het kleuteronderwijs koppelen aan een engagement dat de kleuters voldoende aanwezig zijn in de kleuterschool. We zullen dus een minimumaanwezigheid bepalen. Deze minimumaanwezigheid moet vanzelfsprekend realistisch gedefinieerd worden in functie van de leeftijd van de kleuter. Betrokkenheid van de ouders bij het tegengaan van spijbelen In het leerplichtonderwijs bewandelen we een gelijkaardige piste. We moeten er absoluut voor zorgen dat leerplichtige kinderen zijn ingeschreven en naar school gaan. Hierover heb ik recent een spijbelplan gelanceerd. Een studietoelage of schooltoelage zou in het leerplichtonderwijs op dubbele wijze gekoppeld zijn aan de leerplicht. Om een studietoelage / schooltoelage te kunnen krijgen • moet de leerling in het begin van september ingeschreven zijn om het recht op een studietoelage/schooltoelage te openen voor het lopende jaar; • mag de leerling vastgelegde grenzen van schoolverzuim en spijbelen niet overschrijden (b.v. 30 halve dagen in het secundair onderwijs). Anders krijgen de ouders een verwittiging dat een nieuwe aanvraag voor een studie- of schooltoelage voor het eerstvolgende schooljaar moet samengaan met een engagement om het schoolverzuim en spijbelen terug te dringen. Gebeurt dat niet in dat eerstvolgende schooljaar, dan kan de nieuwe studietoelage eventueel niet uitgekeerd of zelfs teruggevorderd worden. Het gaat hierbij niet om een hardvochtig sanctioneringsbeleid, maar vooral om een preventieve aanpak, waarbij aan jongeren en ouders de kans wordt gegeven om “zich te herpakken”. Een mogelijke indicator van sociaal-economische achterstand in het nieuwe financieringssysteem Een uitbreiding van de studiefinanciering tot het lager en kleuteronderwijs opent in principe nog een andere interessante mogelijkheid om het onderwijsbeleid te versterken. Tegen het einde van de legislatuur willen we de financiering van scholen baseren op de kenmerken van leerlingen en scholen. Relevante kenmerken van leerlingen hebben te maken met sociaal-economische en sociaal-culturele eigenschappen van hun thuismilieu. Maar deze kenmerken vertalen in betrouwbare indicatoren, op basis waarvan men scholen kan subsidiëren of financieren, is bijzonder delicaat. Als we tot een studietoelagesysteem komen waarbij we voor het kleuteronderwijs en voor het volledige leerplichtonderwijs ongeveer 25% van de kleuters en de leerlingen betoelagen, dan beschikken we potentieel over een robuuste en stabiele indicator voor socio-economische achterstelling. Samen met andere leerlinggebonden indicatoren kan hij ingezet worden voor het nieuwe financieringssysteem van de scholen. De verdeling van de huidige gok-lestijden gebeurt op basis van gok-indicatoren die weliswaar een goede “proxy” zijn voor sociale achterstelling, maar een dubbel nadeel hebben : ze gebaseerd zijn op een verklaring op eer en bovendien zijn ze deels ook gevoelig aan de economische conjunctuur (werkloosheid) . Daarom zoeken we momenteel naar indicatoren die een even goede “proxy” zijn, die robuust en stabiel zijn en waarvoor we, vooral, noch de scholen noch de leerlingen “verklaringen op eer” moeten vragen. Momenteel onderzoeken we verschillende pistes en verschillende combinaties. Zo wordt bekeken in welke mate studietoelagen betrouwbaar zijn als socio-economische indicator, in combinatie met andere indicatoren . Als daarover meer wetenschappelijke duidelijkheid bestaat, zal het overleg over het nieuwe systeem opgestart worden. Wat betreft de nieuwe financiering van het hoger onderwijs is intussen duidelijk dat het “gerechtigd zijn op een studietoelage” van de studenten een indicator is op basis waarvan we hogescholen en universiteiten bijkomend moeten financieren. Wat betreft de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs is nog geen gelijkaardige optie genomen. Maar het feit dat de mogelijkheid bestaat een bijkomend argument om het bestaande stelsel van studietoelagen uit te breiden tot het basisonderwijs, zodat het hele leerplichtonderwijs gedekt is door een stelsel van studietoelagen. Besluit: ambitieus maar realistisch, vernieuwend maar haalbaar Deze voorstellen zijn • ambitieus: de invoering van een uniek “gezinsdossier” voor studiefinanciering, op basis waarvan niet alleen sterk verbeterde studietoelagen voor het secundair onderwijs, maar ook aanvullende studiepremies voor dure opleidingen in het secundair onderwijs en schooltoelagen voor lager en kleuteronderwijs ingevoerd worden, • maar ook budgettair realistisch en vrij snel uitvoerbaar, • en vernieuwend t.a.v. uitdagingen zoals effectieve kleuterparticipatie, voorkomen van spijbelen, en eventueel zelfs t.a.v. de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs; binnen de Vlaamse onderwijsbevoegdheid zijn deze vernieuwingen technisch gemakkelijk haalbaar. *** Deze nota wordt nu voorgelegd aan de coalitiepartners in de Vlaamse regering. PS : Alle euro's in deze nota zijn euro's 2006 behalve in de tabel over de studietoelagen SO 5 Wat nuttige informatie voor leerkrachten
Ze zitten in elke klasEr zijn geen precieze cijfers over hoeveel leerlingen gescheiden ouders hebben. Naar schatting één op drie huwelijken in België wordt ontbonden. En het aantal groeit. Leerkrachten krijgen steeds meer kinderen van scheidende of gescheiden ouders in de klas. Hun gezinssituatie is soms erg complex. Wie daar geen rekening mee houdt, zorgt voor vervelende of pijnlijke situaties op school (en thuis). Veel leerlingen van gescheiden ouders ervaren dat ze 'anders zijn'. Nieuwe gezinsvormen raken stilaan uit het verdomhoekje. Hoe kan deze nieuwe realiteit op school een plaats krijgen? Gaby, directeur:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| School moet beide ouders informeren | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Brief voor mama, kopie voor papa?“Ik lees in de agenda van mijn zoontjes dat er brieven zijn meegegeven tijdens
hun ‘papa-week’. Wat daarin staat, kan ik alleen maar raden”, zegt Kristin, mama
van vier. “Bij mijn twee andere kinderen is er geen probleem: de school geeft alle
brieven dubbel mee en we krijgen zelfs een kopie van het rapport.” Als de ouders
van een leerling niet meer onder hetzelfde dak wonen, bereik je ze niet utomatisch Bron Klasse september 2008 |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||