WETGEVING - SCHOOL

I ECHTSCHEIDING I OMGANGSRECHT I ALIMENTATIE I SCHOOL I RECHTEN VAN HET KIND I ERFRECHT I WETSVOORSTEL I

1 14 APRIL 2005 NIEUWE omzendbrief Ouderlijk gezag in Onderwijsaangelegenheden
2 De school en kinderen van gescheiden ouders
3 Schoolvakanties tot 2010
4 Schoolkosten: voorstellen voor een nieuw Vlaams beleid
5 Wat nutige informatie voor leerkrachten
6 School moet beide ouders informeren

14 APRIL 2005 NIEUWE omzendbrief : Ouderlijk gezag in Onderwijsaangelegenheden. NO/2005/01 (13AC) 

1. INLEIDING
2. Titularissen van het ouderlijk gezag
2.1. OUDERS
2.2. Voogden
2.3. Pleegvoogdij en bijzondere plaatsingsinstituten
2.4. Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen
2.5. Feitelijke bewaring
3. Recht van opvoeding
4. Recht van toezicht
5. Betwistingen
6. Bijkomende opmerkingen
6.1. Naamsverandering
6.2. Privacy
6.3. Informatie voor ouders en leerkrachten
Omzendbrief : Ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden
layout

layoutRechtsreekse Link naar de omzendbrief op de website van het Min. Van Onderwijs

referentie : NO/2005/01 (13AC)
publicatiedatum : (14/04/2005)
wettelijke basis : Artikel 371-375bis van het burgerlijk wetboek van 21/3/1804
opheffing : omzendbrief 13AC/WJ/SH van 22 januari 1997
contactpersoon : Erik Moncarey, 02-553 65 54
layout

layout

layout
layout layout layout
Titularissen en inhoud van het ouderlijk gezag.- Aangewezen procedures voor de scholen.- Informatieve omzendbrief aan de schooldirecties van het basis-, secundair en deeltijds kunstonderwijs en de directies van de centra voor leerlingenbegeleiding.

1. INLEIDING

De beslissingen over een minderjarige worden genomen door de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen. Voor de school is het niet altijd evident te weten wie het ouderlijk gezag uitoefent of hoe en wanneer de school met hen best communiceert. Bovendien kan de gezinssituatie wijzigen in de loop van de schoolloopbaan. De ouders verwachten dan meestal dat ook de school met deze wijzigingen rekening houdt, pedagogisch en administratief-organisatorisch.

Deze omzendbrief wil u informeren over het ouderlijk gezag en over de beste handelwijze bij contacten met de ouders. De concrete toepassing van deze principes blijft de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Het departement Onderwijs staat niet in voor de handhaving of sanctionering van deze rechten en plichten.

In de communicatie met de meeste gezinnen stellen zich geen problemen. Beide ouders nemen de beslissingen betreffende het onderwijs samen en vragen zo nodig ook de instemming van hun kind. Ook als maar één persoon het ouderlijk gezag heeft, is er weinig kans op betwisting van zijn of haar beslissingen betreffende het onderwijs en recht op informatie van de school. In de meeste gevallen zal gezond verstand volstaan en is het niet nodig om de ouders met bijkomende formaliteiten te belasten.

Moeilijkheden ontstaan vooral tijdens en na echtscheidingsprocedures. Uiteraard is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ouders om de gezamenlijke opvoeding van hun kinderen te organiseren, daarover onderlinge afspraken te maken en een goede communicatie te onderhouden.

2. Titularissen van het ouderlijk gezag 1

2.1. OUDERS

In principe zijn de beide oudersvan een minderjarige gezamenlijk verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind (co-ouders). Zij hoeven daarvoor niet gehuwd te zijn of samen te wonen, maar dat zal in de regel wel het geval zijn. Zij nemen solidair de beslissingen betreffende het onderwijs aan hun kind. Eén van de ouders (vader of moeder) kan namens beide ouders optreden tegenover derden die "te goeder trouw" zijn, op basis van een vermoeden van akkoord. 2 Welke personen "te goeder trouw" zijn, is een feitenkwestie die per individueel geval beoordeeld moet worden, desnoods door een rechtbank. De school mag dus de beslissingen (zoals de inschrijving) van één van de ouders uitvoeren, tenzij de school weet dat de andere ouder het er niet mee eens is. In het laatste geval moet de school weigeren de beslissing uit te voeren, zonder uitdrukkelijk akkoord van de andere ouder.

Een rechtbank kan beslissen dat één van de (gescheiden) ouders het exclusief ouderlijk gezag krijgt. Deze exclusieve ouder heeft, met uitsluiting van de andere, het gezag over de opvoeding en de goederen van het kind. Bovendien heeft hij of zij (meestal) het kind feitelijk bij zich en neemt hij of zij de beslissingen over de school- en studiekeuze en de keuze godsdienst of zedenleer of vrijstelling. In dat geval moet de school een inschrijving door de andere ouder weigeren.

De rechtbank bepaalt meestal, eventueel op voorstel van de ouders, een tussenoplossing waarbij bepaalde beslissingen met instemming van beide ouders moeten worden genomen en voor het overige één ouder alleen verantwoordelijk is. 3

De rechtbank kan ook één of beide ouders volledig of gedeeltelijk ontzettenuit het ouderlijk gezag. In dat geval heeft de betrokken ouder geen beslissings- of toezichtsrecht meer, maar wel nog de onderhoudsplicht. De niet-ontzette ouder of een aangestelde "provoogd" oefent het gezag over de minderjarige uit. 4

2.2. Voogden

Wanneer een minderjarige geen ouders (meer) heeft, wordt een voogd aangesteld. 5 De voogd vertegenwoordigt dan de minderjarige 6 en het ouderlijk gezag wordt vervangen door het voogdijgezag. De school voert de beslissingen van de voogd uit en informeert de voogd zoals andere ouders.

2.3. Pleegvoogdij en bijzondere plaatsingsinstituten

Pleegvoogden hebben niet alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het ouderlijke gezag of het voogdijgezag. Het ouderlijk gezag of het voogdijgezag blijft in dit geval bij de ouders of voogd. De pleegvoogden oefenen wel enkele prerogatieven van de ouders of voogd uit, zoals het recht van bewaring, als de minderjarige bij hen woont 7 en ze hebben een onderhoudsplicht 8.

De zeldzame pleegvoogdij staat los van de meer gangbare gezinsplaatsing in een feitelijk pleeg-, gast- of opvanggezin, dat geen wettelijk gezag of statuut kent. 9

In de praktijk communiceert de school met de pleegvoogden of het pleeggezin over de praktische zaken. De ouders nemen evenwel de beslissingen, die eventueel via de pleegvoogden of het pleeggezin aan de school gecommuniceerd kunnen worden.

Geplaatste minderjarigen 10 staan onder toezicht van de jeugdrechtbank, via de sociale dienstvan de Vlaamse Gemeenschap. 11

2.4. Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen

Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen zijn zelf verantwoordelijk voor hun daden. Zij nemen zelf de beslissingen betreffende hun onderwijs en kunnen zelf de documenten met betrekking tot hun schoolloopbaan ondertekenen.

Een leerling is meerderjarig vanaf de leeftijd van 18 jaar. 12

Een minderjarige is ontvoogd als hij of zij huwt of door een beslissing van de jeugdrechtbank. Er is dan wel een curator van rechtswege (de meerderjarige echtgenoot of echtgenote) of er wordt een curator aangesteld. 13

In de praktijk heeft de curator vooral bevoegdheden over het vermogen en minder over de persoon van de ontvoogde minderjarige. De school kan met de ontvoogde minderjarige communiceren en overleggen.

Een meerderjarige die in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordt gelijkgesteld met een minderjarige. 14

2.5. Feitelijke bewaring

Personen of instellingen kunnen de leerling feitelijk onder hun bewaring hebben, zonder enig ouderlijk gezag. Dit is het geval bij gezinsplaatsing of plaatsing in een instelling, opvoeding door de grootouders of andere familieleden,...

In verschillende bepalingen in het onderwijsrecht wordt het begrip ouders gedefinieerd als: "de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben". 15

De "personen die het ouderlijk gezag uitoefenen" zijn de (beide) ouders, voor zover ze niet uit het ouderlijk gezag ontzet zijn. De "personen die in rechte de minderjarige onder hun bewaring hebben" zijn bijvoorbeeld de pleegvoogden.

De "personen die in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben" zijn niet de personen die een minderjarige occasioneel onder hun hoede hebben, maar wel de pleeg- of stiefouders bijvoorbeeld, die het kind werkelijk bij zich opvoeden.

Hoewel zij geen ouderlijk gezag hebben, worden zij in het onderwijsrecht soms met de ouders gelijkgesteld en krijgen zij voor de toepassing van die bepalingen dezelfde rechten.

In dat geval kan de school in afwijking op het ouderlijk gezag met deze personen overleggen voor de toepassing van de berokken bepalingen uit de onderwijswetgeving.

3. Recht van opvoeding

Het recht van opvoeding omvat het recht van zorg of dagelijkse opvoeding en het beslissingsrecht, onder meer over taal, school, onderwijsrichting, beroep. Het is een recht dat voorbehouden is aan de titularissen van het ouderlijk gezag, als onderdeel van het gezag over de persoon van de minderjarige.

Dit recht impliceert voor de school dat de titularissen van het ouderlijk gezag beslissingsrecht hebben met betrekking tot een aantal sleutelmomenten in de schoolloopbaan, zoals:

- de school- en studiekeuze;
- de inschrijving;
- kennisname van of akkoord met het schoolreglement;
- informatie over jaarprogramma, aanpak van de school, ...;
- keuze of vrijstelling van levensbeschouwelijke vakken;
- keuze moedertaal en tweede taal;
- weigering van leerlingenbegeleiding;
- toestemming extra-muros-activiteiten;
- lidmaatschap ouderverenigingen;
- kiesrecht voor en stemrecht in bestuurs- of medezeggenschapsorganen;
- orde en tucht, uitsluiting, ...;
- klachten en vertegenwoordiging in rechte in interne beroepsprocedures en gerechtelijke procedures;
- evaluatie en bespreking van de leerling;
- attestering;
- schoolverandering en verwijzing buitengewoon onderwijs.

Om dat recht van opvoeding te respecteren is het aanbevolen hiermee rekening te houden in een aantal procedures.

In ieder geval is bij de inschrijving enige waakzaamheid geboden. De omzendbrief NO/205/SH/AS/MPV van 10 november 1983: "Inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen" bepaalt welke documenten de inschrijver voor kan leggen om de identiteit van de leerling te bevestigen.

In geval van twijfel over de identiteit van de inschrijvende (vermeende) ouder en/of van de relatie tot de leerling kan de school telefonisch contact nemen met de bevolkingsdienst of de vorige school of kunnen bijkomende documenten zekerheid verschaffen. 16

De beste garanties biedt de gezamenlijke inschrijving door beide ouders. Een afzonderlijke inschrijving door de ouder die de leerling feitelijk bij zich heeft, met machtiging of instemming van de andere ouder is een goed alternatief.

Maar een afzonderlijke inschrijving kan ook zonder een uitdrukkelijke machtiging of instemming van de andere ouder. Het is dan van belang om uitdrukkelijk, maar tactvol te vragen naar de gezinssituatie, meer bepaald of de ouders co-ouders zijn. In dat laatste geval moet de school op gelijke wijze met beide ouders overleggen en communiceren.

Als de school op de hoogte is van onenigheid, bijvoorbeeld door ervaring met een broer of zus, vraagt u toch best de uitdrukkelijke instemming van beide ouders.

De inschrijving 17 (of de periode onmiddellijk daarna) is ook het beste moment om afspraken te maken over de bepaling van "het gezinshoofd", over de communicatie (in persoon, via de leerling, via de post, telefoon, e-mail, ...) met alle belanghebbenden (ouders, grootouders, stiefouder, pleegouders, ...), over de familiale verzekering en over het adres voor de facturen. Deze afspraken kunnen dan verder worden gerespecteerd tot de overgang naar een andere school of tot ze worden gewijzigd, op initiatief van de (bij voorkeur beide) co-ouders of van de exclusieve ouder. Bij twijfel laat u best deze afspraken nog eens schriftelijk bevestigen. Als de ouders bij de inschrijving twee verschillende adressen opgeven, zal de briefwisseling naar beide adressen moeten gestuurd worden, tenzij de ouders hiervan uitdrukkelijk willen afwijken.

Het schoolreglement is een ideaal instrument om het gezinsbeleid in het algemeen van de school te expliciteren en om vooraf te bepalen hoe de communicatie met de ouders in de regel verloopt. Bij de inschrijving moeten de school en de ouders dan enkel bijkomende afspraken maken die wenselijk of vereist zijn door de specifieke gezinssamenstelling.

4. Recht van toezicht

Als één van de (gescheiden) ouders het exclusief ouderlijk gezag krijgt, heeft de andere ouder het recht op toezicht. Dit houdt onder meer in dat hij of zij geïnformeerd moet worden over de opvoeding van het kind (schoolresultaten, oudercontacten, leerlingenbegeleiding, ...) en dat hij of zij bij de jeugdrechtbank of de kortgedingrechter een verhaalrecht heeft tegen beslissingen van de exclusieve ouder. De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd.

Het recht van de toeziende ouder of voogd op toezicht op de opvoeding van de leerling en het recht op objectieve informatie hierover is niet afhankelijk van de goedkeuring van de exclusieve ouder en kan niet beperkt worden op grond van praktische bezwaren.

In elk geval (behoudens ontzetting uit het ouderlijk gezag) en dus ook zonder co-ouderschap moet de school beide ouders informeren over schoolresultaten, begeleidingsactiviteiten, oudercontacten, informatievergaderingen, bevoegd centrum voor leerlingenbegeleiding, schoolfeesten, enzovoort (actieve informatieplicht). Als een tuchtprocedure wordt gestart tegen de leerling, moeten beide ouders op de hoogte gebracht worden.

De school kan niet automatisch veronderstellen dat de informatie beide ouders bereikt, maar kan wel met de ouders afspreken dat informatie, zoals de klasagenda, via de ene ouder bij de andere ouder terecht komt. De school zal ook zoveel mogelijk alle informatie die de leerling meekrijgt dubbel of parallel aanbieden.

Ondanks dergelijke afspraak mag de school de informatie niet weigeren als de andere ouder daarom vraagt (passieve informatieplicht). 18 Dit betekent niet dat de school verplicht is vragen te beantwoorden die onredelijke eisen qua tijd en middelen stellen, zoals het opstellen van een verslag of het invullen van een vragenlijst.

Ook familieleden hebben recht op informatie. De grootouders en iedereen die een bijzondere affectieve band aantoont (de stief- of pleegouder, broers en zussen bijvoorbeeld), hebben in principe recht op persoonlijk contact met de leerling. Bij gebrek aan overeenkomst, beslist de jeugdrechtbank. 19 Meer algemeen wijs ik er op dat de onderwijsinstellingen ook onderworpen zijn aan de openbaarheid van bestuur. 20

5. Betwistingen

De ouder die niet aanwezig was bij de inschrijvingdoor de andere ouder en die deze inschrijving niet wil aanvaarden, kan verhaal aantekenen bij de rechter. De leerplichtige leerlingen moeten uiteraard aanwezig zijn op de school waar ze ingeschreven zijn. 21

Als een co-ouder of exclusieve ouder de leerling in een tweede school inschrijft en deze school de formaliteiten inzake schoolverandering vervult, zoals de verwittiging van de eerste school, is de leerling een regelmatige leerling in de laatste school. Een leerling die in twee scholen ingeschreven is, is geen regelmatige leerling. 22

De school aanvaardt evenwel geen beslissing van een co-ouder, als de andere co-ouder zich daar uitdrukkelijk tegen verzet heeft. Het behoort niet tot de taak van de school om de andere co-ouder te vragen naar zijn of haar intenties hiertoe. De school moet steeds uitgaan van een vermoeden van instemming. De school komt niet tussen in de echtelijke betwistingen en respecteert het ouderlijk gezag en de beslissingen die de co-ouders genomen hebben toen ze het vermoedelijk nog eens waren.

De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd. Als de ouders hun kind in verschillende scholen willen inschrijven, kan de school niet trancheren. Het kind is dan ingeschreven tot uit de feiten het tegendeel blijkt.

Als een ouder zich niet kan verzoenen met een beslissing van of informatieaan de andere ouder en de school met de beide ouders geen overeenstemming kan bereiken, kan de school de ouders verwijzen naar het centrum voor leerlingenbegeleiding, dat in het kader van zijn draaischijffunctie, na onderzoek, de ouders verder kan doorverwijzen. Dit alles ontslaat de school echter niet van haar verantwoordelijkheid om eventuele onwettelijke situaties te melden aan de bevoegde instanties. De school licht de beide ouders hiervan vooraf in.

Het Kinderrechtencommissariaat is bevoegd om klachten te onderzoeken van zowel het kind, als de ouders of een derde betreffende de toepassing van het internationaal verdrag van 20november 1989 inzake de rechten van het kind. 23

In het uiterste geval beslist de jeugdrechtbank 24 wie de beslissing mag nemen of de jeugdrechtbank beslist zelf, in het belang van het kind, en zo nodig na het kind zelf te hebben gehoord 25.

Bij geschillen tussen een minderjarige leerling en zijn of haar ouders, hebben de ouders het laatste woord, onverminderd hun wederzijdse plicht tot respect 26. Een minderjarige kan (formeel) zelf de rechtbank niet vragen om tussen te komen.

6. Bijkomende opmerkingen


6.1. Naamsverandering

Door adoptie krijgt de geadopteerde de naam van de adoptant. 27

De naam kan ook veranderen als de vader het kind pas erkent na de geboorteaangifte door de moeder. 28

Ook na een echtscheiding of de nieuwe samenstelling van het gezin kan de leerling (via zijn wettelijke vertegenwoordiger) aan de Federale Overheidsdienst Justitie vragen om zijn naam te veranderen. Die naamsverandering is geen recht en kan maar uitzonderlijk onder de wettelijk bepaalde voorwaarden worden toegestaan. 29

De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan als hij meent dat het verzoek op ernstige redenen steunt. Adopties, scheiding en wettiging van kinderen zijn geldige redenen.

Het koninklijk besluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Zestig dagen na de publicatie wordt de naamsverandering definitief, maar ze heeft pas gevolgen op de dag van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand. Vanaf dan kunnen de bevolkingsregisters en de identiteitskaart, identiteitsstuk of identiteitsbewijs worden aangepast.

Deze naamsverandering wijzigt op zich niets aan het ouderlijk gezag.

6.2. Privacy

Om de privacy van de leerling en zijn familie niet te schenden is het aangeraden om de inlichtingen over het gezin bij de inschrijvende ouder of ouders zelf te verzamelen.

De onderwijsinstellingen moeten uiteraard de wetgeving inzake de privacy naleven en discreet zijn met de informatie in de leerlingenadministratie, het leerlingvolgsysteem en/of het leerlingendossier. 30

Het is daarbij belangrijk sober en ter zake te zijn en het inzage- en verbeteringsrecht van de leerling en de ouders te respecteren. Voor bewaring in het administratief dossier volstaan veelal de identiteit en communicatiegegevens van de persoon of personen die beslissingen mogen nemen en de identiteit en communicatiegegevens van de persoon of personen die op de hoogte moeten worden gehouden. Op die manier blijft de informatie ook langer actueel. De officiële documenten kunnen na controle worden teruggegeven. De informatie wordt overbodig na de uitschrijving.

6.3. Informatie voor ouders en leerkrachten

Ouders vinden informatie over het bovenstaande in de brochure "Gids voor ouders met kinderen in het basisonderwijs". 31 Deze brochure is ook beschikbaar in het standaard Arabisch, Engels en Turks. Er is ook een "Gids voor leerlingen secundair onderwijs" 32, waarvan ook vertalingen gepland zijn. De cel Publicaties Onderwijs is bereikbaar via onderwijspublicaties@vlaanderen.be,

telefoonnummer 02-553 66 53 of faxnummer 02-553 66 54.

Leerkrachten vinden hulp in de fiche 13 "Echtscheiding/nieuwe gezinnen" in de reeks "de eerste lijn" van Klasse 33, in de studie "Nieuwe gezinsvormen en onderwijsparticipatie in Vlaanderen" in opdracht van het departement Onderwijs 34 en in de brochure "Leven in een eenoudergezin - Getuigenissen van ouders en kinderen" (redactie Bea Bossaerts), waarvan elke leerkracht in het basisonderwijs een gratis exemplaar kreeg 35.

- (1): Opgelet: wat volgt is een beknopte schets van het huidig juridisch kader sinds 3 juni 1995, dat overigens grotendeels een federale materie is. Het is onvolledig en voor de leesbaarheid is een vereenvoudigde terminologie gebruikt. Het is dan ook niet dienstig om een juridische argumentatie op te bouwen.
- (2)
: Artikelen 373 en 374, eerste alinea van het Burgerlijk Wetboek.
- (3)
: Artikel 374, tweede en volgende alinea's van het Burgerlijk Wetboek.
- (4)
: Artikelen 32-34 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.
- (5)
: Artikelen 389 en 405 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
- (6)
: Artikel 405 van het Burgerlijk Wetboek.
- (7)
: Artikel 475quater van het Burgerlijk Wetboek.
- (8)
: Artikel 475bis, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.
- (9)
: Zie o.m. de op 4 april 1990 gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand.
- (10)
: Artikel 37, § 2, 4°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming; besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde Gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand, aan de leerplicht kan worden voldaan.
- (11)
: Artikel 42 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.
- (12)
: Artikelen 388 en 488 van het Burgerlijk Wetboek.
- (13)
: Artikelen 476-486 van het Burgerlijk Wetboek.
- (14)
: Artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek.
- (15)
: Zie onder meer artikel 3, 41° van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
- (16)
: Ter illustratie: identiteitskaart of paspoort met foto en geboortedatum, identiteitsbewijs min-twaalfjarigen, militair (NAVO) of enig ander identiteitsbewijs, SIS-kaart, EU-verblijfskaart, attest van immatriculatie, verblijfs- of vestigingsvergunning, uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand, zoals het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of wachtregister, getuigschrift van woonst, bewijs van nationaliteit, samenstelling van het gezin, akte van bekendheid, adoptie- of voogdijakte, schriftelijk akkoord van co-ouder, vonnis houdende regeling van of ontzetting uit het ouderlijk gezag, ...; zie ook de omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, B.S., 15 oktober 1992, in het bijzonder deel I, punt 28 en deel III, punt 68.
- (17)
: Zie voor het basisonderwijs ook de omzendbrief BaO/2002/01 van 8 februari 2002: "informatie bij eerste inschrijving en schoolreglement".
- (18)
: Zie ook de nieuwsbrieven van 27 november 2002 ("Echtscheiding leeft door op school") en van 4 september 2002 ("Informatierecht van ouders") van Schooldirect: http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (19)
: Artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek.
- (20)
: Decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, B.S., 2 juli 2004, www.vlaanderen.be/openbaarheid.
- (21)
: Artikel 3, § 1 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.
- (22)
: Zie de artikelen 20 tot en met 24 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, de omzendbrief BaO/97/12 van 17 juni 1997 "Schoolveranderen", artikel 48, 2° van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs en de omzendbrieven SO/2002/06 van 15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs", SO/2002/07 van 15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs" en SO/2002/05/buso van 15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs".
- (23)
: Artikel 6 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Kinderrechtencommissariaat en instelling van het ambt van Kinderrechtencommissaris.
- (24)
: Artikel 373, derde alinea van het Burgerlijk Wetboek.
- (25)
: Artikel 56bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.
- (26)
: Artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek.
- (27)
: Artikel 353-1 van het Burgerlijk Wetboek.
- (28)
: Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek.
- (29)
: Artikel 2 en volgende van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen.
- (30)
: Zie onder meer de omzendbrief 13AD/CLB/O/01/1 van 21 juni 2001: "Het multidisciplinair dossier in de Centra voor Leerlingenbegeleiding".
- (31)
: www.ond.vlaanderen.be/basisonderwijs/ouders/gids.htm.
- (32)
: www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleerlingen.
- (33)
: www.klasse.be/specials/specials.taf?doc=eerstelijn.
- (34)
: www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten_1999/colpin_9907.htm; zie ook de nieuwsbrief van 13 maart 2002 van Schooldirect ("Schoolbeleid rond gezinsvormen"), http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (35)
: Zie Klasse nr. 111, p. 18

De school en kinderen van gescheiden ouders
Ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden
1. Inleiding
2. Toepassingsgebied
3. Samenlevende ouders
4. Niet-samenlevende ouders
5. Ontzetting uit het ouderlijk gezag
STUDIEDAG
Ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden
  1. - Samenlevende ouders oefenen het ouderlijk gezag gezamelijk uit.- Niet-samenlevende ouders oefenen in principe het ouderlijk gezag gezamelijk uit, tenzij de rechter het ouderlijk gezag uitsluitend aan één van beide ouders opdraagt. In dat geval behoudt de andere ouder een recht op informatie.

1. Inleiding

  1. Bij de omzendbrief van 13 juli 1990, kenmerk O.Jur. Dienst, werden de wettelijke beschikkingen in herinnering gebracht met betrekking tot het meedelen van de schoolresultaten aan beide (gescheiden) ouders. 

    DOWNLOAD de OMZENDBRIEF  (pdf.bestand)
    Ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden REF.: 13AC/WJ/SH 
  1. Sedertdien is de wet van 13 april 1995 bekrachtigd betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag (B.S. 24-5-1995). Ter inlichting gaat hierbij de tekst van deze wet (bijl. 1) die een wijziging brengt aan het Burgerlijk Wetboek. De gecoördineerde artikelen van het Burgerlijk Wetboek die betrekking hebben op de persoon van het kind (Titel IX - Ouderlijk gezag - Afdeling 1.) gaan eveneens hierbij (bijl. 2).
  1. De voormelde wet van 13 april 1995 gaat uit van een totaal andere opvatting van het ouderlijk gezag dan de vorige wettelijke bepalingen ter zake. Ze betekent een grondige wijziging in de organisatie van het ouderlijk gezag dat nu steunt op het beginsel van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van hun kinderen, ongeacht de familiale en echtelijke toestand.
  2. Deze omzendbrief die de voormelde omzendbrief van 13 juli 1990 vervangt, heeft tot doel de basisprincipes inzake het ouderlijk gezag te verduidelijken. Deze principes moeten door de ouders zelf, maar ook door derden - zoals de schooldirecties - worden nageleefd. Bij alle ouderlijke beslissingen over een schoolgaande minderjarige, is het dan ook van belang te weten of de beslissing genomen is met inachtneming van de wijze waarop het ouderlijk gezag moet worden uitgeoefend.

2. Toepassingsgebied

Het ouderlijk gezag geldt enkel ten aanzien van minderjarigen die de Belgische nationaliteit hebben. Meerderjarigen, zelfs wanneer zij nog secundair onderwijs volgen, nemen zelf de beslissingen omtrent hun persoon. Ontvoogde minderjarigen zijn evenmin aan het ouderlijk gezag onderworpen. Voor minderjarige leerlingen van vreemde nationaliteit geldt het eigen nationaal stelsel van personen- en familierecht.

3. Samenlevende ouders

Luidens artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek (zie bijl. 2) oefenen de ouders, wanneer zij samenleven, het gezag over het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder die alleen een handeling stelt die verband houdt met het ouderlijk gezag, geacht te handelen met instemming van de andere ouder. Bestaat er bij die derde een vermoeden of de zekerheid dat die stilzwijgende toestemming ontbreekt, dan moet hij zijn medewerking weigeren.
Deze regeling geldt zowel voor gehuwde samenlevende ouders als voor ongehuwde samenlevende ouders.

Voorbeeld : Een ouder biedt zich aan op school om een kind te laten inschrijven. De schooldirectie mag ervan uitgaan dat de andere ouder hiermee instemt. Als de schooldirectie echter weet dat de ouders over de opvoeding van de kinderen een verschillende zienswijze hebben, bijv. door ervaring met een broer of zus van het kind, moet de instemming gevraagd worden van de andere ouder alvorens het kind in te schrijven.

4. Niet-samenlevende ouders

a) Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen.
Ook hier geldt een vermoeden van instemming van de afwezige ouder, wanneer de andere ouder alleen een rechtshandeling betreffende de persoon van het kind stelt ten opzichte van een derde te goeder trouw. Wanneer die derde weet of moet weten dat die instemming ontbreekt, is hij niet te goeder trouw als hij deze handeling toch stelt .

b) In afwijking van de co-ouderschapsregeling sub a) kan de bevoegde rechter het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. Hij kan echter ook een tussenoplossing uitwerken waarbij voor bepaalde beslissingen met betrekking tot de opvoeding van het /de kind(eren) de instemming van beide ouders vereist is, terwijl voor het overige één ouder alleen verantwoordelijk is.
Binnen een exclusief ouderlijk gezag, behoudt de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent het recht om toezicht uit te oefenen op de opvoeding. Dit toezichtsrecht houdt het recht in om op de hoogte te worden gehouden van de schoolresultaten en schoolverrichtingen. Het geeft evenwel geen beslissingsrecht in verband met de opvoeding.

Voorbeeld : Een vonnis geeft het exclusieve ouderlijk gezag aan de moeder. Zij mag alleen beslissen over inschrijving en keuze van studierichting, zelfs al is de vader het hiermee uitdrukkelijk niet eens. De vader heeft wel het recht geïnformeerd te worden en moet dus ingelicht worden over schoolresultaten, oudercontacten, ...

 

c) De regeling voor niet-samenlevende ouders is van toepassing op :

- feitelijk gescheiden echtparen;

- uit de echt gescheiden ouders;

- ouders die vroeger samenleefden;

- ouders die nooit hebben samengeleefd.

Opmerking : De voormelde wet van 13 april 1995 is in werking getreden op 3 juni 1995. Rechterlijke beslissingen getroffen vóór deze datum, blijven onverkort van kracht, zelfs indien ze niet in overeenstemming zijn met deze wet.

5. Ontzetting uit het ouderlijk gezag

Door een rechterlijke beslissing kan een ouder ontzet worden uit het ouderlijk gezag. Deze ouder heeft geen beslissingsrecht in verband met de opvoeding en evenmin een recht op informatie.

De schooldirecteurs worden verzocht de wetgeving inzake ouderlijk gezag bij alle beslissingen in verband met de opvoeding van de leerlingen na te leven, o.m.

- bij de inschrijving van leerlingen;
- bij de keuze van studierichting;
- bij de keuze van levensbeschouwelijk vak of vrijstelling daarvan;
- bij tucht- en ordemaatregelen;
- bij de schoolverrichtingen in het algemeen.

Wat het recht op informatie betreft, inzake de opvoeding van een kind (meedelen schoolresultaten, oudercontact, PMS-begeleiding, ...), dit komt elke ouder onverkort toe, uitgezonderd bij ontzetting uit de ouderlijke macht. Informatie moet dus ook verstrekt worden aan de ouder aan wie bij een rechterlijke beslissing geen beslissingsmacht inzake de opvoeding is gegeven.

       Noot:  Men moet een onderscheid maken tussen de opvoedingsregeling en verblijfsregeling!
Het verblijf van het kind kan hoofdzakelijk aan één partij zijn toegewezen dit terwijl beide ouders even bevoegd blijven inzake de  opvoeding van hun kind. De wet voorziet hier een duidelijke onderscheid.

STUDIEDAG:

RESPECT  VOOR HET KIND = RESPECT VOOR DE OUDERS!

 De problematiek van (echt)scheidingen vraagt een degelijke goed uitgebouwde en ondersteunende begeleiding  bij:

1)       Ouderlijke conflicten

2)       relaties tussen ouders en kinderen tijdens en na de scheiding.

3)       het onderhouden van de kwaliteit van de opvoeding na de scheiding. (is niet gebonden aan de kwantiteit!!) Ook de ouder met bezoekrecht moet hierin betrokken worden.

Sociale steun via de school kan voor een emotionele en cognitieve ondersteuning zorgen van de jongeren en de ouders. Deze emotionele en cognitieve ondersteuning zorgt voor betere schoolprestaties.

EEN DEMOCRATISCHE SCHOOL IS EEN ZORGZAME SCHOOL.

In de namiddag werden vier werkgroepen gevormd omheen de volgende thema's:
1. De praktische en administratieve aspecten van de aandacht voor kinderen van gescheiden ouders op school
2. De typische problemen van jongeren herkennen en gepast reageren.
3. De curatieve en preventieve aanpak van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's)
4. De crisisopvang en doorverwijzing.

Werkgroep 1 : over de praktische en administratieve aspecten.

Ze werd geleid door Jan Schokkaert en Ann Hendrickx van de dienst Leerlingen en Schoolorganisatie van het Verbond van het Vrij Katholiek Secundair Onderwijs.

Na een verduidelijking van de wettelijke bepalingen ook zoals ze vervat liggen in de expliciterende ministeriële omzendbrieven werden een zestal werkgroepen van 6 of 7 deelnemers gevormd. Alle werkgroepen kregen een algemene casus en 10 concrete cases uit de werkelijkheid van de relatie van de ouders met de school bij scheiding.

De algemene casus stuurt aan op een reflectie over een mogelijk eenvormig inschrijvingsformulier voor leerlingen. De bedoeling is bij het begin al informatie te verzamelen ook in verband met de contacten op school met de ouders in toepassing van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. (Zie Klasse Echtscheiding/nieuwe gezinnen, de eerste lijn, nr 13.)

Zorg voor genoeg informatie:

Een inschrijvingsformulier dat vraagt naar de naam van de vader en de moeder en waarop slechts plaats is voor één adres is niet geschikt voor leerlingen met gescheiden ouders. Zorg voor genoeg plaats voor alle informatie
- De regeling van het ouderlijk gezag ;
- Het adres en de gezinssamenstelling van beide ouders (…)
- De verblijfsregeling (wanneer woont de leerling waar?);
- Wie uitgenodigd wil worden voor het oudercontact, wie het schoolkrantje wil ontvangen;
- Met wie de school contact moet opnemen bij problemen, ongeval of onverwachte situaties;
- Wie de schoolrekening betaalt…

Welke problemen worden op die wijze voorkomen ? Wil je deze lijst nog aanvullen ? Is dit de beste handelswijze? Heb je een ander voorstel ?

Uit de besprekingen bleek dat wanneer duidelijk wordt dat elk van de beide ouders op een verschillend adres woont, die beide ouders bij het schoolgebeuren moeten worden betrokken. Zij krijgen best beiden een exemplaar van het inschrijvingsformulier thuis toegezonden om in te vullen. Omdat zij beiden in de regel met de gezamenlijke uitoefening van het gezag bedeeld zijn, moeten de scholen het begrip van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag uit de wet consequent toepassen en aan beiden gelijkelijk de nodige informatie overmaken. Daar waren alle schoolverantwoordelijken wel niet meteen volledig voor te vinden. Prof. Senaeve wees hun er nochtans op dat ze zich niet kunnen verbergen achter "het vermoeden van instemming" vanwege de andere ouder en het wettelijke principe wel degelijk moeten respecteren.

5. De crisisopvang en doorverwijzing.

Over dit onderwerp kan ik vrij kort zijn. Een gekend probleem is de overvloed aan hulpvragen binnen de hulpverlening en de daardoor ontstane wachtlijsten. Moet een leerling hierdoor in de koude blijven staan?

Het aanwenden van vertrouwenspersonen binnen de school kan hier al een groot stuk voor ondersteuning bieden. Zoals hierboven reeds aangegeven is het niet de bedoeling om oplossingen te  biden voor de zich aandienende problematiek. Oplossen kan niet, een luisterend oor met de aangepaste vorm van respect en begrip kan denk ik wel. Indien we informatie hebben en we zien de problemen, waarom dan geen stap naar de leerling zetten?

De school kan de nodige veiligheid en steun bieden in moeilijke momenten. De problematiek trachten te begrijpen en er begrip voor opbrengen, zonder normoverschrijdend gedrag goed te keuren behoort tot de mogelijkheden.

Als leerkracht, opvoeder, coördinator en directie kan men de kans bieden aan de leerlingen en hun ouders om hun verhaal, emotie en angsten kwijt te geraken. Dit alles kan in een begripvolle sfeer zonder daarin in de partijdigheid te vervallen.

Schoolvakanties tot 2010

Vooral ouders die geen of nauwelijks contact meer hebben met hun kinderen verliezen vaak ook de voeling met het schoolgebeuren. Hieronder geven we een meer-jaren overzicht van alle schoolvakanties in Vlaanderen tot 2010

 

 
Herfstvakantie
Kerstvakantie
Krokusvakantie
Paasvakantie
Hemelvaart
Schooljaar
van - t.e.m.
van - t.e.m.
van - t.e.m.
van - t.e.m.
van - t.e.m.
2006-2007
30/10-5/11
25/12-7/1
19/2-25/2
2/4-15/4
17/5-18/5
2007-2008
29/10-4/11
24/12-6/1
4/2-10/2
24/3-6/4
1/5-2/5
2008-2009
27/10-2/11
22/12-4/1
23/2-1/3
6/4-19/4
21/5-22/5
2009-2010
2/10-8/11
21/12-3/1
15/2-21/2
5/4-18/4
13/5-14/5

 

Principes schoolvakantieregeling  

De vakantieregeling in het onderwijs berust op vaste principes, zodat begin- en einddatum van alle vakantieperiodes duidelijk zijn vastgelegd (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991).

Principes schoolvakantieregeling 

bullet de zomervakantie begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus;
bullet de herfstvakantie begint de maandag van de week waarin 1 november valt en duurt 1 week. Indien 1 november op een zondag valt, dan begint de herfstvakantie op 2 november;
bullet de kerstvakantie begint de maandag van de week waarin Kerstdag valt en duurt 2 weken. Indien Kerstdag op een zaterdag of zondag valt, dan begint de kerstvakantie op de maandag na Kerstdag;
bullet de krokusvakantie begint de 7de maandag voor Pasen en duurt 1 week;
bullet de paasvakantie begint de 1ste maandag van april en duurt 2 weken. Indien Pasen in de maand maart valt, dan begint de paasvakantie de maandag na Pasen. Indien Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie de 2de maandag voor Pasen.

Schoolkosten: voorstellen voor een nieuw Vlaams beleid

1 Inleiding
2 Kostenloos basisonderwijs
3 Kostenbeheersing in het secundair onderwijs
4 Studietoelagen, studiepremies en schooltoelagen, op basis van een uniek gezinsdossier
5 Basisprincipe: invoering van een uniek gezinsdossier
6 Hoger onderwijs
7 Secundair onderwijs: studietoelagen en studiepremies
8 Basisonderwijs: schooltoelagen
9 Kalender en noodzakelijke budgettaire middelen
10 Koppelingen met onderwijsbeleid
11 Aanmoediging voor kleuterparticipatie
12 Betrokkenheid van de ouders bij het tegengaan van spijbelen
13 Een mogelijke indicator van sociaal-economische achterstand in het nieuwe financieringssysteem

Frank Vandenbroucke

13 juni 2006

  1. Inleiding: een meersporenbeleid

Cijfers leren ons dat de slaagkansen van leerlingen en studenten in het onderwijs stijgen, naarmate de instapleeftijd in het onderwijs van de betrokken leerlingen en studenten daalt. Met andere woorden: hoe jonger men start met onderwijs, hoe hoger de slaagkansen.

Evenzeer is het zo dat ook het behalen van hogere kwalificaties zorgt voor meer kansen. Vroeg starten en voldoende lang studeren is dus de boodschap.

We moeten echter vaststellen dat studeren, of het nu gaat over een student aan de universiteit, of een kleuter in de eerste kleuterklas, een extra kost met zich brengt. Ik stel daarom een meersporenbeleid voor, dat gestoeld is op een combinatie van maatregelen gericht op kosteloosheid en kostenbeperking die alle ouders ten goede komen (universaliteit) en maatregelen in het kader van het studietoelagenstelsel die vooral ten goede komen aan de ouders die er het meest nood aan hebben (selectiviteit).

Deze combinatie moet er voor zorgen dat we elke ouder en elke student een kwalitatief hoogstaand maar ook betaalbaar onderwijs aanbieden. Bovendien is het mogelijk dit sociale beleid te koppelen aan belangrijke uitdagingen op het vlak van onderwijskwaliteit en gelijke kansen, zoals vroege participatie van kleuters, verantwoordelijkheid van de ouders van spijbelende leerlingen, en eventueel zelfs aan een nieuw financieringssysteem van scholen op basis van sociaal-economische en sociaal-culturele kenmerken van de schoolbevolking.

  1. Kosteloos basisonderwijs

Vandaag gaat het decreet basisonderwijs ervan uit dat aan ouders geen bijdragen gevraagd kunnen worden voor alle materies die gekoppeld zijn aan het bereiken van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen (we noemen dit gemakshalve de “echte onderwijskosten”). Concreet worden daar de kosten van activiteiten en schoolbenodigdheden mee bedoeld die echt nodig zijn om de eindtermen te halen. Enkele voorbeelden zijn de schoolboeken, fotokopieën, schriften, schoolagenda, schrijfgerief, maar ook woordenboeken en rekenmachines.

De Commissie Zorgvuldig Bestuur heeft in het verleden meermaals dat onderscheid geduid : potloden, gom, puntenslijper, passer, gradenboog, lat, stiften, schaar e.a. werden duidelijk gecatalogeerd als materialen, noodzakelijk in het kader van eindtermen en ontwikkelingsdoelen en zijn dus, toch voor wat het basisonderwijs betreft, kosteloos voor de ouders. De ouders zijn er dus niet toe gehouden de kosten die in dit verband gevraagd worden, te betalen. Een aantal andere diensten of goederen (kaftpapier, turnzak, ringmappen, boekentassen, schooletuis, e.a.) hoe nuttig ook, zijn evenwel niet noodzakelijk in het kader van eindtermen en ontwikkelingsdoelen en hiervoor kan dus een bijdrageregeling gelden.

We stellen vandaag echter twee problemen vast. Om te beginnen blijkt de decretaal verplichte kosteloosheid voor de echte onderwijskosten nog steeds niet gerealiseerd. Heel wat scholen rekenen dit soort kosten nog steeds door aan ouders. De reden hiervoor is eenvoudig : scholen hebben zelf onvoldoende werkingsmiddelen om deze decretale verplichting na te leven.

Ten tweede stellen we vast dat naast de “echte onderwijskost” ouders dus een aantal schoolrekeningen gepresenteerd krijgen voor materialen en activiteiten die het onderwijs levendiger maken, maar niet strikt nodig zijn. Het gaat dan zoals eerder gesteld om kaftpapier, ringmappen, boekentassen enz., maar bijvoorbeeld ook om het gebruik van tijdschriften, of om extra-muros activiteiten (daguitstappen, theaterbezoek, film, meerdaagse uitstappen zoals de bos- en zeeklassen). Ik hoed me ervoor om dit soort activiteiten te fnuiken – voor een aantal kinderen bieden ze kansen die ze thuis niet krijgen– maar ook deze kosten moeten voor alle ouders betaalbaar blijven.

Om deze twee problemen op te lossen stel ik het volgende voor :

•  de decretaal voorziene kosteloosheid wordt vanaf het schooljaar 2007-2008 gerespecteerd door alle basisscholen, zowel voor kleuters als voor de leerlingen van het lager onderwijs.

•  Voor de kosten die toch nog kunnen worden doorgerekend wordt stapsgewijze een plafonnering doorgevoerd in de vorm van een “dubbele maximumfactuur” .

a. een zeer scherpe maximumfactuur voor uitgaven die verband houden met de aankoop van mappen, tijdschriften en de kosten voor extra-muros activiteiten van maximum één schooldag. Scholen kunnen dan zelf beslissen op welke soort initiatieven   ze de klemtoon leggen.
b. een minder scherpe maximumfactuur voor meerdaagse uitstappen.

Wat het stelsel van de maximumfactuur betreft zullen we nog dit jaar een overleg opstarten met het oog op een stapsgewijze implementatie in de loop van de legislatuur

Om de scholen in staat te stellen deze engagementen te realiseren wil ik een dubbele inspanning leveren.

Reeds in 2007 wil ik elke school per kind (zowel in het kleuteronderwijs als in het lager onderwijs) 45 euro extra werkingsmiddelen toekennen. Dit betekent dat de werkingsmiddelen voor het gehele basisonderwijs met 29,5 miljoen euro stijgen tot 340 miljoen wat een toename betekent van bijna 10%.

Daarnaast wil ik ook nog een tweede inspanning leveren met betrekking tot de werkingsmiddelen. In de loop van deze regeerperiode wordt immers ook een nieuwe financieringssysteem ontwikkeld. Daarbij zullen scholen gesubsidieerd of gefinancierd worden op basis van leerling- en schoolkenmerken, zonder onderscheid tussen de netten. Dit nieuwe financieringssysteem zal in eerste instantie slaan op de werkingsmiddelen van de scholen, waarvan het globale budget aanzienlijk verruimd zal worden. Voor het basisonderwijs (kleuter- en lager onderwijs samen) voorzien we in dit kader additioneel nog eens 85,2 mio euro. Een stijging met 27% op jaarbasis, op te starten in 2008 en volledig te realiseren in 2009.

Om de juiste verdeling van dit bijkomende werkingsbudget over de scholen te kennen, is het vandaag nog veel te vroeg, maar het volgende cijfer geeft een aanduiding: gemiddeld genomen komt de verhoging neer op: 85.233.330/655.641 = 130 euro extra per leerling in het basisonderwijs.) Opgepast dus: voor sommige scholen zal dit minder zijn, voor anderen meer.)

Daarbovenop wil ik de komende jaren ook nog budgettaire inspanningen leveren om het ICT-budget van de scholen te versterken.

Behoud en effectieve toepassing van een aantal bestaande principes

Het is belangrijk dat intussen een aantal verworven principes niet alleen behouden blijven, maar ook goed worden toegepast:

•  de ouders moeten via de bijdrageregeling op voorhand zicht krijgen op de kosten die doorgerekend kunnen worden;

•  de bijdrageregeling moet in de schoolraad (waarin de ouders vertegenwoordigd zijn) besproken worden

De Commissie Zorgvuldig Bestuur is de instantie die overtredingen onderzoekt en eventueel sanctioneert.

Daarnaast is het belangrijk dat scholen een inspanning doen om, met de werkingsmiddelen waarover ze beschikken, zo kostenefficiënt mogelijk op te treden. Projecten die we ondersteunen met het Vlaamse departement Onderwijs, tonen aan dat op dat vlak nog heel wat mogelijk is. Eén van de goede praktijkvoorbeelden is de organisatie ‘VZW Schulden op School' die meerdere mogelijkheden mbt het beperken van schoolkosten hebben onderzocht, maar ook het maken van afspraken binnen lokale overlegplatforms die leiden tot een gezamenlijke beheersing van kosten door alle scholen binnen een bepaalde regio zijn zeer succesvol.

Conclusie

Globaal genomen wordt er de komende jaren dus bijkomend 114,7 mio euro voorzien voor werkingsbudgetten van basisscholen. 29,5 miljoen zal onmiddellijk en lineair per leerling worden toegekend, 85,2 miljoen zal geleidelijk worden verdeeld met het oog op het gelijk leggen van de lat tussen de netten en het invoeren van een nieuw financieringssysteem op basis van school en leerlingenkenmerken.

  1. Kostenbeheersing in het secundair onderwijs

Het is niet haalbaar om in het secundair onderwijs het principe van de kosteloosheid in te voeren. Het is echter wel hard nodig om ook daar de kosten voor de ouders te drukken. Dit veronderstelt een beleid van kostenbeheersing en beperking van de facturen. Tengevolge van de verscheidenheid aan studierichtingen is dit in het secundair onderwijs een complexe opgave, waar we in het bestek van deze nota niet op kunnen ingaan.   Een en ander vergt verder onderzoek en overleg.

  1. Studietoelagen, studiepremies en schooltoelagen, op basis van een uniek gezinsdossier

Drie vaststellingen maken bijkomende maatregelen nodig:

•  In het secundair onderwijs worden ouders hoe dan ook geconfronteerd met aanzienlijke facturen.

•  Een kordate uitvoering van het principe van de kosteloosheid verhindert in het basisonderwijs niet dat ouders nog geconfronteerd worden met bepaalde kosten.

•  We moeten middelen vinden om kansarme ouders van jonge kleuters te interesseren voor de kleuterschool.

Daarom stellen we een grondige hervorming voor, waarbij kinderen van gezinnen die financieel zwak staan, vanaf de eerste kleuterklas tot en met het hoger onderwijs in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Vandaag bestaan aparte stelsels van studietoelagen voor het hoger onderwijs en voor het secundair onderwijs. Voor het basisonderwijs is nu niets voorzien.

Basisprincipe: invoering van een uniek gezinsdossier

Het te ontwikkelen stelsel zal gebaseerd zijn op een uniek gezinsdossier voor alle leerlingen en studenten in het onderwijs van de Vlaamse gemeenschap.

Momenteel dienen de ouders nog een apart gezinsdossier in voor studenten van het hoger onderwijs en voor leerlingen van het secundair onderwijs. Dit leidt niet alleen tot onnodige administratieve last voor het departement Onderwijs en voor de ouders, maar ook tot heel veel verwarring en misverstanden. Omdat de toekenningscriteria erg verschillend zijn in het hoger en het secundair onderwijs, moeten we vaak uitleggen aan ouders waarom b.v. één van hun kinderen in het hoger onderwijs wèl in aanmerking komt voor studiefinanciering, terwijl een broer of zus in het secundair onderwijs niet in aanmerking komt. Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van het stelsel.

We stellen voor de criteria die gelden voor het secundair onderwijs en het basisonderwijs af te stemmen op de criteria die nu gelden voor het hoger onderwijs. We kunnen dan het bestaande verwerkingsprogramma voor het hoger onderwijs uitbreiden naar het secundair onderwijs en naar het basisonderwijs, zodat ouders voor alle leerlingen en studenten binnen hun gezin een een toelage zullen kunnen aanvragen via één enkel aanvraagformulier. Dit betekent om te beginnen minder papierwerk en bovendien moeten ook de nodige documenten maar één maal worden bijgevoegd.

De verwerking van de aanvragen, die momenteel voor het hoger en het secundair onderwijs door twee ploegen gebeurt die gespecialiseerd zijn in de wetgeving van het hoger of het secundair onderwijs, zal op basis van het uniek gezinsdossier door één ploeg dossierbehandelaars gebeuren voor hoger, secundair en basisonderwijs. Dit heeft het voordeel dat een dossier van het begin tot het einde door dezelfde dossierbehandelaar zal opgevolgd worden voor alle leerlingen en studenten binnen datzelfde gezin. Dit zal de snelheid van de behandeling ten goede komen.

Misschien nog belangrijker is het feit dat de invoering van dit uniek gezinsdossier betekent dat alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tussenkomst, namelijk de nationaliteitsvoorwaarde en financiële voorwaarden, voor alle onderwijsniveaus gelijk worden.   Gezien de verschillende inhoud van de verschillende onderwijsniveaus, zullen de pedagogische voorwaarden wel verschillen. Daarnaast zullen, gezien de verschillende studiekost naargelang het onderwijsniveau, ook de toelagebedragen verschillen. Concreet betekent dit dat indien een gezin met kinderen in verschillende onderwijsniveaus in aanmerking komt voor een studietoelage voor één van de kinderen, dat gezin per definitie ook in aanmerking komt voor een studietoelage voor de kinderen in de andere onderwijsniveaus. Daardoor vermijden we niet alleen dat beslissingen van de overheid ongeloofwaardig overkomen (waarom wordt mijn kind in het hoger onderwijs anders beoordeeld dan mijn kind in het hoger onderwijs?). Het motiveert ook de ouders om hun kinderen te laten verder studeren, want nog voor hun zoon of dochter aan de hogere studies begint, weten ze dat ze in aanmerking komen voor een toelage.

Hoger onderwijs

Wat de studiefinanciering in het hoger onderwijs betreft, werden in het recente verleden al heel wat inspanningen gedaan. Een onderzoek dat recent onder leiding van professor Bea Cantillon op dit vlak werd gevoerd rond alternatieve vormen van studiefinanciering, leert ons dat het systeem van studietoelagen in het hoger onderwijs nu behoorlijk functioneert. Het is dan ook voorlopig niet de bedoeling te raken aan het stelsel voor het hoger onderwijs .

We moeten wel iets anders doen: de subsidies voor de sociale voorzieningen van de hogescholen (voor goedkope restaurants, goedkope huisvesting, enz.) gelijktrekken met die voor de universiteiten. Het verschil tussen de sociale sector van de hogescholen en de universiteiten wegwerken, kost op jaarbasis 11 miljoen euro. We voorzien daarom een verhoging met dit bedrag van de subsidies voor de sociale voorzieningen aan de hogescholen tegen het einde van de legislatuur.

Secundair onderwijs: studietoelagen en studiepremies

Zoals gezegd vertonen de wetgeving studiefinanciering hoger onderwijs en de wetgeving studietoelagen voor het secundair onderwijs, momenteel grote verschillen. Hierdoor komen er in het secundair onderwijs proportioneel gezien veel minder leerlingen in aanmerking voor een studietoelage. De financiële voorwaarden om in aanmerking te komen voor een studietoelage in het secundair onderwijs, zijn inderdaad veel minder gunstig dan voor het hoger onderwijs.

De bedragen en de wetgeving voor studietoelagen in het secundair onderwijs in het algemeen werden al te lang niet meer aangepast. Zo werden in het voorbije academiejaar 2004 – 2005 maar iets meer dan 72.000 toelagen secundair onderwijs uitbetaald voor een totaalbedrag van 12.000.000 €. Dertien jaar eerder reikten we nog ongeveer 107.000 toelagen voor een totaalbedrag van ongeveer 16.700.000 € uit (in euro's van 13 jaar geleden!). Er worden dus steeds minder toelagen uitgekeerd in het secundair onderwijs, voor een steeds kleiner totaalbedrag, terwijl dat totaalbedrag onder invloed van de indexeringen eigenlijk zou moeten stijgen. Een herziening van de inkomstengrenzen en daardoor van de bedragen is dan ook meer dan dringend.

Evolutie toekenningen en gemiddelde studietoelagen secundair onderwijs

JAAR

School-populatie

Toegekend

%

Totaal bedrag (€)

Gem. toelage (€)

Fictief bedrag/

Leerling (€)

1991-1992

427.380

106.841

25,0 %

16.700.182

156,31

39

1992-1993

428.227

97.682

22,8 %

15.407.876

157,74

36

1993-1994

434.430

95.221

21,9 %

14.924.910

156,74

34,4

1994-1995

436.956

89.983

20,6 %

  14.285.156

158,76

32,7

1995-1996

435.436

88.820

20,4 %

14.211.557

160,00

32,6

1996-1997

432.227

88.186

20,4 %

14.353.627

162,77

33,2

1997-1998

426.220

88.737

20,8 %

14.387.869

162,15

33,8

1998-1999

420.366

86.614

20,6 %

14.064.266

162,37

33,5

1999-2000

415.253

84.321

20,3 %

13.584.113

161,10

32,7

2000-2001

413.343

81.135

19,6 %

13.017.236

160,44

31,5

2001-2002

414.079

78.092

18,9 %

12.503.274

160,11

30,2

2002-2003

419.379

75.892

18,1 %

12.153.142

160,14

29

2003-2004

427.922

76.481

17,9 %

12.376.078

161,82

28,9

2004-2005

435.048

72.436

16,7 %

11.920.354

164,52

27,4

Zoals al werd aangekondigd op de persconferentie op 7 februari jongstleden, wordt momenteel gewerkt aan een nieuw stelsel van studietoelagen voor het secundair onderwijs, waarbij de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een studietoelage in het secundair onderwijs, gelijk worden gelegd met de voorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs. Hierdoor zullen vanaf schooljaar 2007-2008 ongeveer 27 000 leerlingen méér in aanmerking komen voor een studietoelage secundair onderwijs, en zal bovendien de gemiddelde studietoelage stijgen van 164 euro naar ongeveer 200 euro (een gemiddelde betekent uiteraard dat de stijging voor sommigen veel belangrijker zal zijn, en voor anderen minder belangrijk).

Hiervoor wordt een budget van 10 miljoen euro extra uitgetrokken. Samen met het huidige budget van ± 12 miljoen euro, zal vanaf het schooljaar 2007-2008 bijgevolg ± 22 miljoen euro aan middelen worden uitgetrokken voor toelagen in het secundair onderwijs. Het aantal gerechtigden zal stijgen van 17% naar 25%.

Bijkomend willen we een extra inspanning doen, via een verhoogde studietoelage , voor leerlingen die het 7 de jaar TSO en BSO volgen. Deze leerlingen, die normaal gesproken al aan het werk zouden kunnen gaan, doen immers een bijzondere inspanning om zich te specialiseren, en (in het geval van BSO-leerlingen) om een volwaardig diploma van hoger secundair onderwijs te verwerven. Dat verdient een bijzondere aanmoediging waardoor hun studietoelage 20% hoger zal liggen dan een gewone studietoelage.

Naast studietoelagen komen er ook bijkomende studiepremies voor leerlingen die een dure opleiding volgen in een richting die relevant is voor de arbeidsmarkt. We onderzoeken daarbij of het mogelijk is deze aanvullende premie niet alleen te geven aan leerlingen die een studietoelage genieten, maar aan leerlingen uit gezinnen waarvan het inkomen een zeker percentage boven het maximaal toegelaten inkomen voor een studietoelage ligt (een beetje te vergelijken met het onderscheid tussen een beursstudent en een “bijna-beursstudent” dat in het hoger onderwijs gehanteerd wordt). Op die manier kunnen we de groep verruimen.

Daarnaast moeten punctuele acties mogelijk blijven om leerlingen aan te moedigen om bepaalde opleidingen te kiezen die leiden naar knelpuntberoepen. Dit gebeurt nu al voor een reeks van opleidingen, waarbij een 4000 leerlingen een tegemoetkoming van gemiddeld 250 euro krijgen in de opleidingskost. Deze knelpuntpremie geldt voor alle leerlingen ongeacht het gezinsinkomen. Het pas ingevoerde premiestelsel zal worden geëvalueerd in de loop van het volgende schooljaar. Voor studiepremies en knelpuntpremies is een budget van 5 miljoen euro voorzien .

Basisonderwijs: schooltoelagen

Voor leerlingen in het kleuter- en lager onderwijs in de Vlaamse gemeenschap wordt momenteel niet voorzien in financiële ondersteuning voor de gezinnen waarvoor de schoolfactuur het zwaarst doorweegt. Zoals eerder gesteld zal een dergelijke factuur altijd blijven bestaan – zelfs bij een kordaat beleid dat gericht is op kosteloosheid voor alles wat strikt samenhangt met de eindtermen en ontwikkelingsdoelen.

Via de invoering van een schooltoelage voor kleuters en leerlingen in het basisonderwijs kunnen we deze blijvende kost voor een aantal gezinnen sterk beperken.

Als we de huidige voorwaarden voor een studietoelage in het hoger onderwijs toepassen in het basisonderwijs, zal daar één op vier leerlingen in aanmerking komen voor een schooltoelage.

Dit betekent dat voor het kleuteronderwijs 25 % van de 234.963 leerlingen (aantal in 04-05) in aanmerking zal komen voor een schooltoelage, wat neer komt op in totaal 59.000 schooltoelagen voor het kleuteronderwijs.

Voor het lager onderwijs zal 25 % van 420.678 leerlingen (aantal in 04-05) in aanmerking komen , wat neer komt op in totaal 105 000 schooltoelagen voor lager onderwijs.

In een eerste fase wordt hiervoor 10 miljoen euro uitgetrokken. Daarmee kunnen we toelagen uitbetalen van gemiddeld 60 euro. Afhankelijk van het gezinsinkomen zal dit voor sommige kinderen meer zijn, en voor anderen minder.

  1. Kalender en noodzakelijke budgettaire middelen

Het is mogelijk al deze voorstellen uit te voeren binnen de marges die voor de komende jaren voorzien zijn in de onderwijsbegroting. Het is dus niet nodig hiervoor extra middelen te vragen aan de Vlaamse Regering.

Op dit ogenblik zijn we ver gevorderd met de voorbereiding van de decretale teksten m.b.t het nieuw stelsel van studietoelagen voor het secundair onderwijs. Het is mogelijk een decretale basis voor het geheel van studietoelagen (in hoger en secundair onderwijs), studiepremies (in het secundair onderwijs) en schooltoelagen (in het basisonderwijs) te creëren tegen juli 2007.

Met betrekking tot het secundair onderwijs kan de uitvoering starten in het schooljaar 2007-2008, met effectieve betalingen ook in de loop van datzelfde schooljaar. Voor de knelpuntpremies werd al de decretale basis gelegd.

De schooltoelagen in het basisonderwijs zullen we uitkeren vanaf het daarop volgend schooljaar (2008-2009) omdat dit volledig nieuw is en hierdoor meer voorbereidend werk vraagt.

  1. Koppelingen met onderwijsbeleid

De maatregelen die hierboven voorgesteld werden, hebben een sociaal en financieel karakter. Omdat ze op het Vlaamse niveau uitgewerkt worden en beheerd door het departement Onderwijs, is het mogelijk ze te verbinden met belangrijke doelstellingen van het onderwijsbeleid.

Aanmoediging voor kleuterparticipatie

Op dit ogenblik leggen we de laatste hand aan een plan om de participatie van kleuters aan het onderwijs te verhogen. Terzake wordt deze week nog een nota voorgelegd aan de coalitiepartners. Doel is niet alleen alle kleuters ingeschreven te krijgen in een school, maar er ook voor te zorgen dat ze effectief aanwezig zijn. Vroege schoolse participatie is immers één van de kritische succesfactoren voor een succesvolle schoolloopbaan. De voorgestelde acties betreffen ondermeer het in kaart brengen van de niet ingeschreven kleuters, sensibiliseringsmaatregelen en het versterken van de omkadering en ondersteuning voor het kleuteronderwijs. Vermits we met name kansarme kleuters in de kleuterscholen willen krijgen, is het belangrijk dat de principes van kosteloosheid en kostenbeheersing onverkort gelden in het kleuteronderwijs.

Daarnaast wil ik de “schooltoelage” voor het kleuteronderwijs koppelen aan een engagement dat de kleuters voldoende aanwezig zijn in de kleuterschool. We zullen dus een minimumaanwezigheid bepalen. Deze minimumaanwezigheid moet vanzelfsprekend realistisch gedefinieerd worden in functie van de leeftijd van de kleuter.

Betrokkenheid van de ouders bij het tegengaan van spijbelen

In het leerplichtonderwijs bewandelen we een gelijkaardige piste. We moeten er absoluut voor zorgen dat leerplichtige kinderen zijn ingeschreven en naar school gaan. Hierover heb ik recent een spijbelplan gelanceerd. Een studietoelage of schooltoelage zou in het leerplichtonderwijs op dubbele wijze gekoppeld zijn aan de leerplicht. Om een studietoelage / schooltoelage te kunnen krijgen

•  moet de leerling in het begin van september ingeschreven zijn om het recht op een studietoelage/schooltoelage te openen voor het lopende jaar;

•  mag de leerling vastgelegde grenzen van schoolverzuim en spijbelen niet overschrijden (b.v. 30 halve dagen in het secundair onderwijs). Anders krijgen de ouders een verwittiging dat een nieuwe aanvraag voor een studie- of schooltoelage voor het eerstvolgende schooljaar moet samengaan met een engagement om het schoolverzuim en spijbelen terug te dringen. Gebeurt dat niet in dat eerstvolgende schooljaar, dan kan de nieuwe studietoelage eventueel niet uitgekeerd of zelfs teruggevorderd worden. Het gaat hierbij niet om een hardvochtig sanctioneringsbeleid, maar vooral om een preventieve aanpak, waarbij aan jongeren en ouders de kans wordt gegeven om “zich te herpakken”.

Een mogelijke indicator van sociaal-economische achterstand in het nieuwe financieringssysteem

Een uitbreiding van de studiefinanciering tot het lager en kleuteronderwijs opent in principe nog een andere interessante mogelijkheid om het onderwijsbeleid te versterken. Tegen het einde van de legislatuur willen we de financiering van scholen baseren op de kenmerken van leerlingen en scholen. Relevante kenmerken van leerlingen hebben te maken met sociaal-economische en sociaal-culturele eigenschappen van hun thuismilieu. Maar deze kenmerken vertalen in betrouwbare indicatoren, op basis waarvan men scholen kan subsidiëren of financieren, is bijzonder delicaat.

Als we tot een studietoelagesysteem komen waarbij we voor het kleuteronderwijs en voor het volledige leerplichtonderwijs ongeveer 25% van de kleuters en de leerlingen betoelagen, dan beschikken we potentieel over een robuuste en stabiele indicator voor socio-economische achterstelling. Samen met andere leerlinggebonden indicatoren kan hij ingezet worden voor het nieuwe financieringssysteem van de scholen.

De verdeling van de huidige gok-lestijden gebeurt op basis van gok-indicatoren die weliswaar een goede “proxy” zijn voor sociale achterstelling, maar een dubbel nadeel hebben : ze gebaseerd zijn op een verklaring op eer en bovendien zijn ze deels ook gevoelig aan de economische conjunctuur (werkloosheid) . Daarom zoeken we momenteel naar indicatoren die een even goede “proxy” zijn, die robuust en stabiel zijn en waarvoor we, vooral, noch de scholen noch de leerlingen “verklaringen op eer” moeten vragen.

Momenteel onderzoeken we verschillende pistes en verschillende combinaties. Zo wordt bekeken in welke mate studietoelagen betrouwbaar zijn als socio-economische indicator, in combinatie met andere indicatoren . Als daarover meer wetenschappelijke duidelijkheid bestaat, zal het overleg over het nieuwe systeem opgestart worden.

Wat betreft de nieuwe financiering van het hoger onderwijs is intussen duidelijk dat het “gerechtigd zijn op een studietoelage” van de studenten een indicator is op basis waarvan we hogescholen en universiteiten bijkomend moeten financieren. Wat betreft de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs is nog geen gelijkaardige optie genomen. Maar het feit dat de mogelijkheid bestaat een bijkomend argument om het bestaande stelsel van studietoelagen uit te breiden tot het basisonderwijs, zodat het hele leerplichtonderwijs gedekt is door een stelsel van studietoelagen.

Besluit: ambitieus maar realistisch, vernieuwend maar haalbaar

Deze voorstellen zijn

•  ambitieus: de invoering van een uniek “gezinsdossier” voor studiefinanciering, op basis waarvan niet alleen sterk verbeterde studietoelagen voor het secundair onderwijs, maar ook aanvullende studiepremies voor dure opleidingen in het secundair onderwijs en schooltoelagen voor lager en kleuteronderwijs ingevoerd worden,

•  maar ook budgettair realistisch en vrij snel uitvoerbaar,

•  en vernieuwend t.a.v. uitdagingen zoals effectieve kleuterparticipatie, voorkomen van spijbelen, en eventueel zelfs t.a.v. de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs; binnen de Vlaamse onderwijsbevoegdheid zijn deze vernieuwingen technisch gemakkelijk haalbaar.

***

Deze nota wordt nu voorgelegd aan de coalitiepartners in de Vlaamse regering.

PS : Alle euro's in deze nota zijn euro's 2006 behalve in de tabel over de studietoelagen SO

5 Wat nuttige informatie voor leerkrachten

 

Ze zitten in elke klas

Er zijn geen precieze cijfers over hoeveel leerlingen gescheiden ouders hebben. Naar schatting één op drie huwelijken in België wordt ontbonden. En het aantal groeit. Leerkrachten krijgen steeds meer kinderen van scheidende of gescheiden ouders in de klas. Hun gezinssituatie is soms erg complex. Wie daar geen rekening mee houdt, zorgt voor vervelende of pijnlijke situaties op school (en thuis).

Veel leerlingen van gescheiden ouders ervaren dat ze 'anders zijn'. Nieuwe gezinsvormen raken stilaan uit het verdomhoekje. Hoe kan deze nieuwe realiteit op school een plaats krijgen?

Gaby, directeur:
«Geen onbescheiden vraag»

«Bij het begin van elk nieuw schooljaar of bij nieuwe inschrijvingen vragen we telkens naar de gezinssituatie van de leerling. Dat komt een beetje onbescheiden over. Maar dat is het eigenlijk niet. Als school zorg je zo voor een opening, voor een signaal dat je daar rekening wil mee houden. Niet dat alle leerlingen met gescheiden ouders probleemleerlingen zijn. Dat niet. Maar waar de scheiding moeilijk verloopt en de kinderen de speelbal of het losgeld worden, ervaren we veel leer- en gedragsproblemen. Uit onwetendheid kan je trouwens veel domme dingen doen. Het past gewoon in ons totaalconcept van zorgverbreding: ieder kind moet krijgen waar het recht op heeft. En dat is goed onderwijs. In elke klas van onze school zitten minstens één of twee leerlingen met gescheiden of scheidende ouders. Sommige kinderen wonen al in een nieuw-samengesteld gezin. Daar willen we begrip en respect voor opbrengen. Dat staat trouwens met zoveel woorden in ons pedagogisch project. Dat geldt voor de leerlingen, maar ook voor de leerkrachten. Wat je als leerkracht over echtscheiding of nieuwe gezinsvormen denkt, doet er niet toe. Het is het kind dat telt.»


het probleem

Wat?

ALTIJD MOEILIJK

  • De scheiding van hun ouders is voor elke leerling een moeilijke tijd. Later, na de crisisperiode, hoeft de scheiding geen blijvende, negatieve gevolgen te hebben. Het kind past zich aan en verzoent zich. Het is dus belangrijk te weten dat de leerling zich voor een min of meer lange tijd anders kan gedragen dan gewoonlijk (stiller, prikkelbaarder, afwezig). Als de school in woelige tijden een rustpunt is voor kinderen, is zij ook voor de ouders een steun.
  • Een lange tijd ging men ervan uit dat ouders best zo lang mogelijk samen moesten blijven in het belang van het kind. Nu denkt men anders. Voor elk kind is een goede scheiding beter dan een gezin dat geen warmte en geborgenheid kan bieden.

Verwerking

SCHULD EN PRATEN

Elke scheiding is anders. Of de leerling de scheiding al dan niet goed verwerkt, hangt af van enkele factoren:

  • De leerling krijgt informatie en is voorbereid op de scheiding.
  • Hij kan erover praten met leeftijdsgenoten in eenzelfde situatie.
  • Hij kan erover praten met minstens één ouder (of een vertrouwenspersoon).
  • Hij ziet de schuld van de scheiding niet bij één ouder.
  • Er wordt niet gestookt tussen de ouders.
  • De omgeving kan de scheiding aanvaarden.
  • De leerling is zowel betrokken op het gezin bij moeder als op het gezin bij vader.
  • Hij heeft zelf inspraak bij de verblijfsregeling, zonder het gevoel dat hij moet kiezen tussen zijn ouders.

Wat kinderen voelen:

VERDRIET EN OPLUCHTING

Alle leerlingen beleven wat er gebeurt op hun manier. Ze moeten leren aanvaarden dat hun ouders uit elkaar zijn. Bij die verwerking komen heel wat gevoelens boven:

  • Angst en onzekerheid over de toekomst: Zal mama ook weggaan? Wat gebeurt er nu met mij? Moet ik naar een andere school? Moet ik verhuizen? Kan ik zonder papa?
  • Agressie: een heel stuk basiszekerheid valt weg, dat kan agressie meebrengen.
  • Opluchting: de scheiding kan een einde stellen aan spanning, ruzies, geroep. Aan de andere kant ervaren ze de scheiding als een groot verlies. Verlies van het gezin waarin ze geboren en opgegroeid zijn, van de aanwezigheid van beide ouders.
  • Schuldgevoelens: kinderen denken dat zij de schuld zijn van de spanningen thuis.
  • Schaamte: wat zullen de leerkrachten, de omgeving, de vrienden daarvan denken?

Toch zijn er, vooral na de crisis, mogelijk ook positieve reacties: verhoogde zelfstandigheid en weerbaarheid.

Wat kinderen doen:

HUN OUDERS STEUNEN

Kinderen proberen vaak op verschillende manieren hun ouders die het moeilijk hebben te ondersteunen. Elk kind reageert anders.

  • Parentificatie: kinderen nemen een deel van de verzorgende en verantwoordelijke taken van een ouder over. Soms gaat een alleenstaande ouder het kind gebruiken als steun voor zijn eigen verwerkingsprobleem. Ze zijn als het ware partner in plaats van kind.
  • Aanleunen bij de zwakste: kinderen kiezen overduidelijk partij voor één van de ouders omdat die er het zwakste voor staat. Ze willen die ondersteunen.
  • Bliksemafleider: kinderen kunnen serieus problematisch gedrag stellen op momenten van grote conflicten tussen de ouders. Zo gaat de aandacht naar het gedrag van het kind in plaats van naar hun conflicten.
  • Uitgestelde rouw: ogenschijnlijk kunnen kinderen het tijdens de scheiding goed stellen, alsof ze er geen last van hebben. Op dat moment hebben hun ouders het al moeilijk genoeg. Ze willen er hun verdriet en zorgen niet nog bij voegen. Later, soms zelfs na enkele jaren, komt hun verdriet dan boven.

Als moeder en vader mekaar wederzijds beschuldigen wordt de scheiding voor de leerling extra moeilijk. Het wordt dan in feite innerlijk verscheurd. Het is voor de leerling emotioneel onmogelijk om te kiezen tussen vader en moeder. Het heeft zowel met zijn moeder als met zijn vader onzichtbare banden: loyauteiten. Leerlingen komen in een heel moeilijke situatie terecht als ze van de éne ouder de andere ouder niet meer mogen respecteren, erkennen, graag zien. Dit zorgt voor een echt dilemma: als ze de één graag zien, kwetsen ze de andere en omgekeerd.

En dan:

HET NIEUWE GEZIN

Wanneer vader en/of moeder een nieuwe partner hebben, vormen ze, samen met hun respectievelijke kinderen, een nieuw-samengesteld gezin.

  • Leerlingen kunnen deel uitmaken van één of twee nieuw-samengestelde gezinnen. Ze hebben dan te maken met een stiefouder.
  • Een stiefouder heeft vaak andere gewoonten en regels. Stiefouders en stiefkinderen hebben tijd nodig om hun plaats tegenover elkaar te vinden. Wat is hun rol? Mag de stiefouder straffen, helpen met huiswerk, zakgeld geven, zeggen dat het bedtijd is?

Scholen kunnen na de scheiding ook met ander gezinssamenstellingen worden geconfronteerd: alleenstaande vaders en moeders, pleeggezinnen, kinderen met holebi-ouders, grootouders die de kinderen opvoeden.

aanpak

Op individueel niveau:

DE LEERLING: geen medelijden maar aandacht

In de crisis van de echtscheiding zijn ouders vaak minder beschikbaar voor hun kinderen. Ze zijn zelf te vol van felle emoties. De leerkracht kan een belangrijke steunfiguur voor de leerling zijn.

Enkele tips:

  • Leg vooral jonge kinderen uit wat er precies aan de hand is, dat zij niet de schuld zijn van de problemen.
  • Luister naar de leerling, geef hem wat extra aandacht, begrip en hulp. Doe dat discreet. Hij mag zich geen uitzondering voelen.
  • Wees alert voor veranderingen in het gedrag van de leerling en praat erover. Vergoelijk ongepast gedrag of slechte schoolresultaten niet. Blijf als leerkracht je eisen stellen.
  • Respecteer beide ouders en veroordeel niemand, ook al lijkt het dat de leerling zelf partij trekt voor één van de ouders. Vaak is dat onder invloed van derden. Op termijn heeft de leerling er het meeste baat bij dat de band met elk van de ouders positief blijft.
  • Leerlingen met gescheiden ouders hebben vaak problemen met praktische zaken (zwemgerief, turngerief, leerboeken, ). Ze hebben immers twee huizen waar ze iets kunnen laten liggen. Gun de leerlingen een aanpassingsperiode. Sommige kinderen worden op maandagmorgen op school 'overgedragen' van de ene ouder naar de andere.

Evenveel valkuilen:

  • Leerkrachten die zelf een scheiding hebben meegemaakt zijn extra gevoelig voor de ervaringen van leerlingen die hetzelfde meemaken. Veralgemeen de eigen ervaringen niet. Elke scheiding is anders.
  • Sommige leerlingen gaan op zoek naar de geborgenheid en veiligheid die ze thuis missen. Soms zoeken ze een vader- of moederfiguur in een leerkracht. Bewaak je grenzen. Een leerkracht kan niet voor vervangende ouder spelen.
  • Gebruik het feit dat ouders gescheiden zijn niet te vlug als reden voor gedragsproblemen of slechte cijfers. Veel leerlingen komen er zonder kleerscheuren doorheen.
  • Bombardeer de leerlingen niet met (goedbedoelde) hulp. Ze gaan zichzelf als een probleemgeval bekijken. Ga op zoek naar de kracht van zo'n kind, zodat het zelf naar een oplossing kan zoeken.

DE OUDERS: oordeel niet

Veel scheidingen verlopen in een sfeer van ruzies en beoordelingen. In de periode voor en vlak na de scheiding kunnen de emoties thuis hoog oplaaien. Hou er rekening mee dat de ouders niet altijd redelijk zullen overkomen. Overspoeld door hun eigen emoties verliezen ze soms de werkelijke belangen van hun kinderen tijdelijk uit het oog.

  • Toon begrip voor de moeilijke situatie die ze doormaken. Praat met hen vanuit hun en jouw zorg voor hun kind.
  • Tussen de scheidenden woedt er vaak een hevige strijd om het gelijk. Niet zelden worden kinderen daarin betrokken. Laat je nooit verleiden om partij te kiezen.
  • Als een ouder je raad vraagt in een conflictvolle situatie, kan je scheidingsbemiddeling of ouderschapsbemiddeling aanraden.
  • Meestal hebben ouders maar één wens: dat de omgeving hen blijft erkennen als ouder. Mensen zijn na scheiding soms heel gevoelig voor de manier waarop ze worden aangesproken. Spreken over "uw man" of "uw vrouw" is niet correct. Het is "ex-man" of "ex-vrouw", of beter nog de "mama van Koen" of de "papa van Mieke".
  • Zowel éénoudergezinnen als nieuw-samengestelde gezinnen kunnen het door de scheiding financieel moeilijker hebben. Dit kan gevolgen hebben voor de schoolreizen, skiklassen Hou daar rekening mee.

Op klasniveau:

  • De opvattingen die de leerkracht heeft over scheiding, éénoudergezinnen en nieuw-samengestelde gezinnen kunnen positief of belemmerend werken op de beleving van de leerlingen. Je kan echtscheiding tot iets alledaags minimaliseren of je kan het als ongewoon, zielig of rampzalig bestempelen. Wie met respect omgaat met echtscheiding vertrekt vanuit het kind.
  • Leerlingen vinden vooral steun bij leerlingen in eenzelfde situatie. Ze denken vlug: ik ben de enige die zoiets overkomt. Nochtans zijn er in de meeste klassen wel enkele. Een klasgesprek kan dit isolement doorbreken.
  • Vaak wordt in de klas het traditionele gezin als norm bekeken. Leerlingen die leven in een andere gezinssamenstelling vinden zich hier niet in terug. Ze gaan zich afvragen of ze wel "normaal" zijn.
    • Steun leerlingen die leven in een specifieke gezinssituatie bij mogelijke moeilijke momenten (invullen formulieren, nieuwjaarsbrieven, vader- en moederdagcadeautjes, maken van tijdslijn over het eigen leven, stamboom,). Zoek samen met de leerling naar een passende oplossing.
    • Spreek ook over andere gezinsvormen in de les en stel niet alleen het klassieke gezin als model. De eindtermen bieden genoeg aanknopingspunten.
    • Vul de klas- en schoolbibliotheek aan met kinder- en jeugdboeken in verband met echtscheiding en andere gezinsvormen. Vermijd verhaaltjes met 'de boze stiefmoeder'.
  • De rapportentijd kan een beladen periode zijn. In sommige echtscheidingen - waar de strijd nog blijft duren - is het aan de andere ouder al dan niet laten zien van het rapport een element in die strijd. Maar ook in andere scheidingen is de rapportentijd een speciaal moment.
    • Geef extra tijd zodat het rapport ook kan meegenomen worden op bezoekweekend
    • Of maak twee rapporten.

Elke ouder, tenzij hij ontzet is uit zijn ouderlijk gezag, heeft het recht op informatie (schoolresultaten, oudercontact, CLB-begeleiding). De school is dus verplicht om die informatie te geven aan beide ouders.

Op schoolniveau:

ZORG VOOR EEN OPEN SCHOOLCULTUUR:

  • De school kan ruimte maken voor een brede relationele opvoeding, breder dan seksualiteitsvoorlichting. Verschillende aspecten van relatiebekwaamheid kunnen aan bod komen: communicatie, conflictbeheersing, omgaan met gevoelens enz... Het is belangrijk dat de school een klimaat schept waarin feiten en gevoelens rond scheiding kunnen worden geuit.
  • Besef als school dat er verschillende gezinsvormen zijn. Toon respect en begrip voor mogelijke problemen: alleenstaande ouders na het overlijden van een partner, alleenstaande ouders na echtscheiding, pleeggezinnen, adoptiegezin, bewust ongehuwde moeder, nieuw-samengestelde gezinnen, kinderen die in een instelling verblijven, kinderen met holebi-ouders

ZORG VOOR GENOEG INFORMATIE:

Een inschrijvingsformulier dat vraagt naar de naam van de moeder en vader en waarop slechts plaats is voor één adres is niet geschikt voor leerlingen met gescheiden ouders. Zorg voor genoeg plaats voor alle informatie:

  • de regeling van het ouderlijk gezag
  • het adres en de gezinssamenstelling van beide ouders (ouders, broers, zussen, stiefouders, stiefbroers en -zussen, halfbroers en -zussen)
  • de verblijfsregeling (wanneer woont de leerling waar?)
  • wie uitgenodigd wil worden bij het oudercontact, wie het schoolkrantje wil ontvangen
  • met wie de school contact moet opnemen bij problemen, ongeval of onverwachte situaties
  • wie de schoolrekening betaalt

De schooldirectie kan discreet en weloverwogen de relevante informatie doorgeven aan de leerkrachten. Vooral bij kleuterleiders en leerkrachten van de basisschool is het belangrijk om te weten bij wie, waar en wanneer hun leerlingen verblijven, wie de kinderen komt afhalen enz In het secundair kan de schooldirectie met de klasleraar bekijken of het wenselijk is om andere leerkrachten of begeleiders te informeren.

KEN DE WET

Co-ouderschap : De wet van 13 april 1995 wijzigt het oude systeem van hoede- en bezoekrecht en introduceert het systeem van co-ouderschap: beide ouders blijven verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Het systeem staat los van de verblijfsregeling die veel vormen kan aannemen (tijdens de week bij de ene ouder, tijdens het weekend bij de andere, of evenveel tijd bij de ene als bij de andere.).

Elk van beide ouders kan beslissingen nemen over het schoollopen van het kind: de keuze van de school en de inschrijving van het kind, de keuze voor gewoon of buitengewoon onderwijs, de keuze voor godsdienst of zedenleer of de vraag om vrijstelling, beroep tegen tuchtmaatregelen Om latere problemen te vermijden kan je als directie vragen of de andere ouder op de hoogte is van/akkoord gaat met bv. de inschrijving. Je kan ook vragen hoe de verblijfsregeling in elkaar zit.

Exclusief ouderschap : Bij scheidingen uitgesproken vóór 13 april 1995 berust het ouderlijk gezag bij één ouder die het "hoederecht" kreeg. Ook nu nog kan de rechter in uitzonderlijke situaties het ouderlijk gezag aan slechts één ouder toewijzen. In deze situatie heeft de andere ouder sowieso het recht van toezicht (op de opvoeding) en recht op informatie (over bv. schoolresultaten, oudercontact).

De stiefouder :

  • In de praktijk neemt de stiefouder heel wat ouderlijke taken op, ook in verband met school. Stiefouders kunnen juridisch op geen enkel gebied gezag uitoefenen tegenover hun stiefkind, zelfs indien zij gehuwd zijn met een juridische ouder.
  • Bij de meeste nieuw-samengestelde gezinnen neemt de school een belangrijke plaats in. Tellen ze mee als volwaardig gezin voor die kinderen of zijn ze maar tweederangs? Kan de school om met het gegeven dat een leerling deel uitmaakt van één of twee nieuw-samengestelde gezinnen of houdt ze vast aan het traditionele kerngezin?

Problemen met bezoek of omgangsrecht:

Ondanks het bezoek- of omgangsrecht krijgen sommige ouders hun kinderen niet te zien. De andere ouder "boycot" het omgangsrecht. In de praktijk blijkt het zeer moeilijk dit recht effectief af te dwingen als de andere partij tegenwerkt. Vaak proberen die ouders via de school hun kinderen toch te zien. De school kan hier niet voor instaan.

  • Probeer deze mensen te verwijzen naar een dienst voor scheidingsbemiddeling of ouderschapsbemiddeling. Daar kan naar een oplossing worden gezocht.
  • Deze ouders hebben uiteraard wel recht op informatie over studieresultaten, oudercontact, CLB begeleiding net als alle ouders, tenzij ze uit de ouderlijke macht ontzet zouden zijn.
  • Benader deze mensen respectvol, en met begrip voor hun moeilijke situatie. Ook zij blijven de ouder van hun kind.

School moet beide ouders informeren

Brief voor mama, kopie voor papa?

“Ik lees in de agenda van mijn zoontjes dat er brieven zijn meegegeven tijdens hun ‘papa-week’. Wat daarin staat, kan ik alleen maar raden”, zegt Kristin, mama van vier. “Bij mijn twee andere kinderen is er geen probleem: de school geeft alle brieven dubbel mee en we krijgen zelfs een kopie van het rapport.” Als de ouders van een leerling niet meer onder hetzelfde dak wonen, bereik je ze niet utomatisch
allebei. Waarvoor kiest jouw school: alles in het dubbel of zet je de leerlingen in als ‘schoolpostbode’ tussen hun ouders?

Lees er meer over hier

Bron Klasse september 2008

Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap