WETGEVING - OMGANGSRECHT |
I ECHTSCHEIDING I OMGANGSRECHT I ALIMENTATIE I SCHOOL I RECHTEN VAN HET KIND I ERFRECHT I WETSVOORSTEL I |
| 1 HET INTERNATIONAAL KINDERRECHTENVERDRAG |
Het Kinderrechtenverdrag verplicht België in artikel 9.3 tot het volgende: ‘ De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.' MAATSCHAPPELIJKE GEVOLGEN |
| 2 HET BELGISCH STRAFRECHT |
De wetgever heeft het “ onttrekken of niet afgeven van een minderjarige ” door de moeder of de vader aan de bewaring van hen aan wie het krachtens een beslissing is toevertrouwd of die het recht hebben het op te eisen, stafbaar gesteld in artikel 431 van het Strafwetboek. Afdeling V. - Niet-afgeven van kinderen |
| 3 WETTEKSTEN IN VERBAND MET OMGANGSRECHT GROOTOUDERS |
375bis BW De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de Jeugdrechtbank. 370. § 1 BW De volle adoptie verleent aan het kind en zijn afstammelingen hetzelfde statuut en dezelfde rechten en verplichtingen als zij zouden hebben indien het kind geboren was uit degenen die het ten volle hebben geadopteerd. Behoudens de verbodsbepalingen van de artikelen 161 tot 164 inzake huwelijk, houden de kinderen die ten volle geadopteerd zijn, op tot hun oorspronkelijke familie te behoren... |
| 4 WETTEKST IN VERBAND MET OMGANGSRECHT EX-ZORGOUDER |
Artikel 375bis B.W stelt dat aan iedere andere persoon het
recht op contact kan worden toegekend indien hij aantoont dat |
| 5 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsstuk voor kinderen onder de twaalf jaar. |
47. De gemeentebesturen zijn ertoe gehouden, voor elk kind onder de twaalf jaar, een
identiteitsstuk op te maken bij zijn eerste inschrijving in de bevolkingsregisters(1) van
een Belgische gemeente of in het wachtregister(2).
Dit identiteitsstuk wordt gratis afgegeven, en wordt overhandigd aan de persoon of 47bis. Het identiteitsstuk wordt bewaard totdat het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft. Het wordt slechts vernieuwd in geval van verlies of beschadiging. Deze vernieuwing wordt verricht door de gemeente, in wier registers het kind ingeschreven is op het ogenblik van het verlies of de beschadiging. In dat geval maakt de gemeente een nieuw identiteitsstuk op. Het identiteitsstuk wordt als ongeldig beschouwd in geval van verandering van naam, voornaam of nationaliteit. In dat geval wordt een nieuw identiteitsstuk opgemaakt door de gemeente in wier registers het kind ingeschreven is op het ogenblik dat de voornoemde wijzigingen van kracht worden. Het identiteitsstuk wordt niet vernieuwd wanneer het kind naar een andere gemeente verhuist. In geval van vernieuwing wegens één van de bovenvermelde redenen, kan de gemeente ten hoogste 1,24 € vorderen (1) Zie artikel 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
47quater. Op het identiteitsstuk staan de volgende gegevens : Op de voorzijde : - de naam en de voornamen; Elk identiteitsstuk is voorzien van een nummer, dat bestaat uit het jaartal in twee cijfers en een reeksnummer van vier cijfers, dat door de gemeente wordt toegekend (bv. 970004). Ieder jaar begint de gemeente een nieuwe reeks, die voorafgegaan wordt door een nieuw jaartal. Bij de afgifte van een identiteitsstuk, wordt dit nummer vermeld in de registers van de gemeente, onder de informatie "identiteitsbewijs" (I.T. 195), na de afgiftedatum. Code 60 betreft het identiteitsstuk.(1) Indien nodig, worden de rubrieken op de voorzijde over verscheidene lijnen ingevuld. Het register van inschrijving wordt op de volgende wijze vermeld: B.R. (voor het bevolkingsregister) Op de keerzijde : De persoonsgegevens die op het identiteitsstuk staan, worden gedrukt volgens de
keuze van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen over het
kind : 1° in de gemeenten van het arrondissement Brussel-Hoofdstad bedoeld in artikel 6
van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op B. in het Frans of in het Duits : De persoonsgegevens worden ingevuld met een schrijfmachine of met een printer. |
| 6 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsbewijs voor kinderen onder de twaalf jaar. |
48. Het identiteitsbewijs voor kinderen onder de twaalf jaar is een identiteitsdocument dat afgegeven wordt op verzoek van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen over het kind. De gemeente, waar het kind op het ogenblik van dit verzoek in de registers(1) is
ingeschreven, dient dit document uit te reiken. Zij kan hiervoor ten hoogste 1,24 € vorderen. Dit officiële identiteitsbewijs wordt slechts op verzoek uitgereikt. Het formulier, waarvan het model hierna afgebeeld staat, wordt op het ogenblik van de indiening van de aanvraag bij het gemeentebestuur voorgelegd aan de persoon of de personen die het ouderlijke gezag over het kind uitoefenen. (1) Bevolkingsregisters (zie art. 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen) of wachtregister (zie artikel 1, eerste lid, 2° van dezelfde wet). 49. Het identiteitsbewijs heeft een beperkte geldigheidsduur : het is slechts geldig voor een periode van twee jaar vanaf de afgifte ervan. De vervaldatum die vermeld wordt op het document, mag de datum waarop het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt niet overschrijden. Wat de kinderen onder de twaalf jaar betreft die ingeschreven zijn in het
bevolkingsregister of in het wachtregister, mag de geldigheidsduur van het Er kunnen zich moeilijkheden voordoen wanneer de vader en de moeder van een
kind onder de twaalf jaar houder zijn van een verblijfsvergunning waarvan de In geval het gezag over de persoon van het kind uitsluitend toevertrouwd werd aanéén ouder (hetzij na de ontbinding van het huwelijk overeenkomstig artikel 1258 of 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij tijdens het huwelijk overeenkomstig artikel 373, laatste lid, of 374, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), wordt de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs, dat op naam van het kind opgemaakt wordt, bepaald door de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, waarvan de ouder die alleen gemachtigd is om het verzoek in te dienen houder is. In alle andere gevallen zal de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs bepaald
worden door de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de vader of de 49bis. Het identiteitsbewijs vervalt : - na verloop van de geldigheidsduur In deze gevallen zal, op verzoek van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag over het kind uitoefenen, een nieuw identiteitsbewijs met een geldigheidsduur van twee jaar opgemaakt worden. Het kan vernieuwd worden in geval van verlies of vernietiging. 49ter. De maximumkostprijs die de gemeente kan vorderen voor het afgeven van een identiteitsbewijs bedraagt 1,24 €. 49quater. Het identiteitsbewijs bestaat uit een wit tweeluik, waarvan elk luik 74 mm bij 105
mm meet. Het wordt opgemaakt op effen papier, waarvan het minimumgewicht per
vierkante meter 135 gram bedraagt (zie artikel 2, tweede lid, van het ministerieel besluit
van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 9 en 16 van het
voornoemde koninklijk besluit van 10 december 1996). De gemeente zorgt ervoor dat het identiteitsbewijs hetzij bedekt wordt met een
plastieken laagje, hetzij geplaatst wordt in een plastic zakje, dat langs drie zijden 49quinquies. Volgende gegevens worden op het identiteitsbewijs vermeld: LUIK 1. VOORZIJDE : LUIK 1. KEERZIJDE : Als de gemeente van uitgifte van het identiteitsbewijs
dezelfde is als de gemeente die het identiteitsstuk
uitgereikt heeft, is het nummer dat op het identiteitsbewijs
vermeld wordt hetzelfde als datgene dat vermeld is op het
identiteitsstuk (met inbegrip van het jaartal). Bij de afgifte van een identiteitsbewijs aan een kind, wordt
na de datum van afgifte het nummer van dit
identiteitsbewijs vermeld in de bevolkingsregisters, onder Code 70 betreft het identiteitsbewijs.(1) B.R. voor het bevolkingsregister LUIK 2. VOORZIJDE : Onder de foto en het zegel der gemeente, dat noodzakelijkerwijze met een
droogstempel - gedeeltelijk op de foto - dient aangebracht te worden : 50. De foto van de houder moet recent en goed gelijkend zijn. Zij moet in vooraanzicht worden genomen. Zij moet voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden die vereist worden voor de foto, diehe identiteitskaart, uitgereikt overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten (artikel 1 van het voornoemde ministerieel besluit van 23 december 1996).Hieromtrent dient verwezen te worden naar nummer 15, Afdeling III, Hoofdstuk I, van Deel III van de Algemene Onderrichtingen. De gemeentebediende belast met de uitreiking van het identiteitsbewijs moet de
gelijkenis tussen de voorgelegde foto en het uiterlijk van de houder controleren 51. De gegevens betreffende de persoon die in geval van nood dient gewaarschuwd te worden, worden door het gemeentebestuur ingevuld na raadpleging van de in nummer 48 bedoelde verklaring. Deze informatie blijft geldig tijdens de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs.
Als echter door de indiener van de in nummer 48 bedoelde verklaring geen enkele Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen. 52. Als de gemeente in geval van verlies of beschadiging ernstige twijfels heeft
aangaande de realiteit van dit verlies of deze beschadiging, moet ze een schriftelijke Elke poging tot fraude, misbruik, vervalsing of namaak dient onderzocht te worden door de politieoverheid. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Algemene Politiesteundienst en de bevoegde gerechtelijke overheden moeten ervan op de hoogte gesteld worden. |
| 7 18 JULI 2006. - Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (1) |
De wet op het verblijfsco-ouderschap gepubliceerd in de Belgisch Staatsblad op 4 september 2006 wordt van toepassing op 4 november 2006 ALBERT II, Koning der Belgen, HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 3. Artikel 387bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt aangevuld met de volgende leden : Ingeval een dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis, binnen een termijn die één jaar niet te boven mag gaan, en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is aangegeven in het volgende lid : De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken. » Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387ter ingevoegd, luidende : HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. |
| VERORDENING (EG) Nr. 2201/2003 VAN DE RAAD van 27 november 2003 |
betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 Dit is de Europese wetgeving in verband met kinderontvoering, U kunt deze hier volledig nalezen |
| Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, gesloten te Den Haag 25 oktober 1980 |
Dit Verdrag heeft tot doel: a) de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat; b) het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen. |
| 7 MEI 2007. - Circulaire betreffende de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan |
| Ik vestig uw aandacht op de bepalingen van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006. Het is belangrijk op te merken dat in het staatsblad van 28 december 2006 de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) werd gepubliceerd die de wet van 1 juli 2006 op een aantal punten wijzigt (zie titel XVII - Justitie, Hoofdstuk 1 - Wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming). Overeenkomstig artikel 26 van de wet van 1 juli 2006, ingevoegd bij artikel 373 van de wet van 27 december 2006, zullen de bepalingen van de wet van 1 juli 2006, in werking treden op 1 juli 2007. Krachtens artikel 374 van de wet van 27 december 2006 treden de wijzigingsbepalingen in werking op dezelfde datum.
|
| Nieuwe afstammingswet vanaf 1 juli 2007 |
In juni 2006 keurde het Parlement het wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan goed. De wet is in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 29 december 2006 en treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 juli 2007. De nieuwe wet brengt twee belangrijke wijzigingen aan het afstammingsrecht. Het vermoeden van vaderschap houdt voortaan rekening met de feitelijke situatie en de toestemming van de moeder bij erkenning zal door de biologische vader gemakkelijker verkregen kunnen worden via de rechtbank. Vermoeden van vaderschap Onder de oude afstammingswet geldt het vermoeden van vaderschap tot 300 dagen na de officiële scheiding. Tot 300 dagen na de officiële scheiding wordt de echtgenoot van de moeder beschouwd als de vader van het kind, ook al leefden man en vrouw al jaren feitelijk gescheiden. Veel feitelijk gescheiden mensen worden op het ogenblik van de geboorteaangifte geconfronteerd met het feit dat het kind uit een nieuwe relatie de familienaam van de ex-partner krijgt. Om dit ongedaan te maken, is het opstarten van een procedure tot betwisting van het vaderschap de enige mogelijkheid. Met de nieuwe wet wordt de strenge toepassing van de vaderschapsregel gemilderd. Men houdt nu rekening met de feitelijke situatie. Artikel 316 bis wordt ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek: het vermoeden van vaderschap is niet meer van toepassing wanneer het kind geboren wordt meer dan 300 dagen nadat de rechter of vrederechter een machtiging gegeven heeft om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken of meer dan 300 dagen nadat de echtgenoten op verschillende adressen zijn ingeschreven, blijkens het bevolkingsregister. Nieuw in de wet is ook dat de biologische vader of de persoon die het vaderschap opeist, voortaan de procedure tot betwisting van het vaderschap kan instellen. In de oude wet is dit recht voorbehouden voor moeder, kind en persoon ten aanzien van wie de afstamming vaststaat. Erkenning Wanneer een man zijn kind wil erkennen, is de toestemming van de moeder van het kind nodig. Bij gebreke aan die toestemming, kan degene die het kind wil erkennen, de moeder dagvaarden voor de rechtbank. De rechter moet dan oordelen over het verzoek tot erkenning. Als een dergelijk verzoek gebeurt binnen het jaar na de geboorte van het kind, zal de rechter de erkenning enkel weigeren indien vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader is. Martine Taelman |
| Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap |