WETGEVING - OMGANGSRECHT

I ECHTSCHEIDING I OMGANGSRECHT I ALIMENTATIE I SCHOOL I RECHTEN VAN HET KIND I ERFRECHT I WETSVOORSTEL I

1 HET INTERNATIONAAL KINDERRECHTENVERDRAG
2 HET BELGISCH STRAFRECHT
3 WETTEKSTEN IN VERBAND MET OMGANGSRECHT GROOTOUDERS
4 WETTEKST IN VERBAND MET OMGANGSRECHT EX-ZORGOUDER
5 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsstuk voor kinderen onder de twaalf jaar.
6 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsbewijs voor kinderen onder de twaalf jaar.
7 18 JULI 2006. - Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (1)
8 VERORDENING (EG) Nr. 2201/2003 VAN DE RAAD van 27 november 2003
9 Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, gesloten te Den Haag 25 oktober 1980
10) 7 MEI 2007. - Circulaire betreffende de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan
11) Nieuwe afstammingswet vanaf 1 juli 2007
1 HET INTERNATIONAAL KINDERRECHTENVERDRAG

Het Kinderrechtenverdrag verplicht België in artikel 9.3 tot het volgende:

De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.'

MAATSCHAPPELIJKE GEVOLGEN

Het onttrekken van een kind aan een ouder heeft grote gevolgen met een maatschappelijke draagwijdte die vandaag wellicht sterk onderschat wordt. Uit een Frans onderzoek blijkt dat ¼ van de adolescenten geen contact meer heeft met één van zijn/haar ouders. In het Verenigd Koninkrijk zou dat na 5 jaar scheiding zelfs 43 % bedragen ! In Nederland variëren de cijfers dan weer tussen 14% en 35%; maar zelfs 14% van de kinderen die één van de beide ouders niet meer ziet is veel te veel. Het is nefast voor de emotionele en psychologische ontwikkeling van deze adolescenten. 

JUSTITIE en OMGANGSRECHT

Uit de meest recente cijfers van de FOD justitie blijkt dat tussen 2000 en 2002 50.303 klachten betreffende het niet respecteren van het omgangsrecht bij de diverse parketten werden neergelegd. Hiervan werden er 22.075 zonder gevolg geklasseerd, of 44 %. Dit zijn cijfers die een trend bevestigen. Immers reeds in 1993 werden ongeveer de helft van de dossiers geseponeerd.

2 HET BELGISCH STRAFRECHT

De wetgever heeft het “ onttrekken of niet afgeven van een minderjarige ” door de moeder of de vader aan de bewaring van hen aan wie het krachtens een beslissing is toevertrouwd of die het recht hebben het op te eisen, stafbaar gesteld in artikel 431 van het Strafwetboek.

Ons Belgisch strafrecht stelt ondermeer strafbaar «  de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren....”

Afdeling V. - Niet-afgeven van kinderen

Art. 431. - Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank of met een van die straffen alleen worden gestraft zij aan wie een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar is toevertrouwd en hem niet afgeven aan de personen die het recht hebben hem op te eisen.
Indien de schuldige deze minderjarige meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben hem op te eisen of deze minderjarige onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.

Art. 432. - § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen worden gestraft:
de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan kan de gevangenisstraf tot drie jaar worden verhoogd.
§ 2. Indien de schuldige het minderjarige kind meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben het op te eisen of het minderjarige kind onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen.
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan is de gevangenisstraf minstens drie jaar.
§ 3. Wanneer over de bewaring van het minderjarige kind mocht zijn beslist, hetzij gedurende het verloop of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, dan worden de straffen bepaald in de §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.

§ 4. Indien over de bewaring van het minderjarige kind een aan de rechtspleging door onderlinge toestemming voorafgaande minnelijke schikking is getroffen, worden de straffen bepaald in §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming, het minderjarige kind onttrekt of poogt te ontrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing of de minnelijke schikking is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan hen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.

3 WETTEKSTEN IN VERBAND MET OMGANGSRECHT GROOTOUDERS

375bis BW

De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de Jeugdrechtbank.

370. § 1 BW

De volle adoptie verleent aan het kind en zijn afstammelingen hetzelfde statuut en dezelfde rechten en verplichtingen als zij zouden hebben indien het kind geboren was uit degenen die het ten volle hebben geadopteerd. Behoudens de verbodsbepalingen van de artikelen 161 tot 164 inzake huwelijk, houden de kinderen die ten volle geadopteerd zijn, op tot hun oorspronkelijke familie te behoren...

4 WETTEKST IN VERBAND MET OMGANGSRECHT EX-ZORGOUDER

Artikel 375bis B.W stelt dat aan iedere andere persoon het recht op contact kan worden toegekend indien hij aantoont dat
hij met het kind een bijzonder affectieve band heeft. De formulering “iedere andere persoon” zou je kunnen interpreteren in de zin dat het recht dus niet voor minderjarigen wordt uitgesloten. Maar omwille van hun procesonbekwaamheid zijn minderjarigen niet bekwaam om een eventuele schending van dit recht aan de rechter voor te leggen.

5 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsstuk voor kinderen onder de twaalf jaar.

47. De gemeentebesturen zijn ertoe gehouden, voor elk kind onder de twaalf jaar, een identiteitsstuk op te maken bij zijn eerste inschrijving in de bevolkingsregisters(1) van een Belgische gemeente of in het wachtregister(2). Dit identiteitsstuk wordt gratis afgegeven, en wordt overhandigd aan de persoon of
de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over het kind. De gemeente neemt de nodige maatregelen opdat het identiteitsstuk uiterlijk binnen de maand die volgt op de inschrijvingsdatum aan deze laatste(n) zou overhandigd worden.

47bis. Het identiteitsstuk wordt bewaard totdat het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft. Het wordt slechts vernieuwd in geval van verlies of beschadiging. Deze vernieuwing wordt verricht door de gemeente, in wier registers het kind ingeschreven is op het ogenblik van het verlies of de beschadiging. In dat geval maakt de gemeente een nieuw identiteitsstuk op. Het identiteitsstuk wordt als ongeldig beschouwd in geval van verandering van naam, voornaam of nationaliteit. In dat geval wordt een nieuw identiteitsstuk opgemaakt door de gemeente in wier registers het kind ingeschreven is op het ogenblik dat de voornoemde wijzigingen van kracht worden. Het identiteitsstuk wordt niet vernieuwd wanneer het kind naar een andere gemeente verhuist. In geval van vernieuwing wegens één van de bovenvermelde redenen, kan de gemeente ten hoogste 1,24 € vorderen

(1) Zie artikel 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.


(2) Zie artikel 1, eerste lid, 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

47ter. Het identiteitsstuk bestaat uit een wit karton, met een zijde van 6 cm en afgeronde hoeken. Het wordt gestoken in een plastic zakje, dat met een lint om de hals van het kind wordt gehangen. Wat de effen papieren drager betreft, dient te worden opgemerkt dat zijn gewicht, per vierkante meter, niet minder mag bedragen dan 135 gram (zie artikel 2, tweede lid, van het ministerieel besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 9 en 16 van het voornoemde koninklijk besluit van 10 december 1996). De gemeentebesturen kunnen de plastic zakjes vrij aankopen, alsmede de identiteitsstukken, die conform dienen te zijn aan het model afgebeeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 10 december 1996 (model 1).

47quater. Op het identiteitsstuk staan de volgende gegevens :

Op de voorzijde :

- de naam en de voornamen;
- de nationaliteit;
- de geboorteplaats en –datum;
- de gemeente van afgifte en de vermelding van het register waarin het kind is ingeschreven.

Elk identiteitsstuk is voorzien van een nummer, dat bestaat uit het jaartal in twee cijfers en een reeksnummer van vier cijfers, dat door de gemeente wordt toegekend (bv. 970004).

Ieder jaar begint de gemeente een nieuwe reeks, die voorafgegaan wordt door een nieuw jaartal.

Bij de afgifte van een identiteitsstuk, wordt dit nummer vermeld in de registers van de gemeente, onder de informatie "identiteitsbewijs" (I.T. 195), na de afgiftedatum. Code 60 betreft het identiteitsstuk.(1)

Indien nodig, worden de rubrieken op de voorzijde over verscheidene lijnen ingevuld.

Het register van inschrijving wordt op de volgende wijze vermeld:

B.R. (voor het bevolkingsregister)
V.R. (voor het vreemdelingenregister)
W.R. (voor het wachtregister).

Op de keerzijde :
- de plaats en datum van afgifte;
- de handtekening van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van zijn gemachtigde;
- het zegel van de gemeente, dat aangebracht wordt door middel van een droogstempel.

De persoonsgegevens die op het identiteitsstuk staan, worden gedrukt volgens de keuze van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen over het kind :


A. in het Nederlands of in het Frans :

1° in de gemeenten van het arrondissement Brussel-Hoofdstad bedoeld in artikel 6 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966;
2° in de gemeenten bedoeld in artikel 7 van dezelfde gecoördineerde wetten;
3° in de gemeenten bedoeld in artikel 8, 3° tot 10°, van dezelfde gecoördineerde wetten.

B. in het Frans of in het Duits :
1° in de gemeenten van het Duitse taalgebied;
2° in de gemeenten bedoeld in artikel 8, 2°, van de bovenvermelde gecoördineerde wetten.
De persoon of de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen over het kind delen hun keuze mee in een schriftelijke verklaring, conform het in nummer 7 beschreven formulier.

De persoonsgegevens worden ingevuld met een schrijfmachine of met een printer.

Indien u de volledige richtlijn wil lezen kan u dat hier

6 RICHTLIJN VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Het identiteitsbewijs voor kinderen onder de twaalf jaar.

48. Het identiteitsbewijs voor kinderen onder de twaalf jaar is een identiteitsdocument dat afgegeven wordt op verzoek van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen over het kind.

De gemeente, waar het kind op het ogenblik van dit verzoek in de registers(1) is ingeschreven, dient dit document uit te reiken. Zij kan hiervoor ten hoogste 1,24 € vorderen.
Het identiteitsbewijs dient een snelle identificatie van het kind mogelijk te maken, zowel binnen als buiten het grondgebied van het Rijk.

Dit officiële identiteitsbewijs wordt slechts op verzoek uitgereikt.

Het formulier, waarvan het model hierna afgebeeld staat, wordt op het ogenblik van de indiening van de aanvraag bij het gemeentebestuur voorgelegd aan de persoon of de personen die het ouderlijke gezag over het kind uitoefenen.

(1) Bevolkingsregisters (zie art. 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen) of wachtregister (zie artikel 1, eerste lid, 2° van dezelfde wet).

49. Het identiteitsbewijs heeft een beperkte geldigheidsduur : het is slechts geldig voor een periode van twee jaar vanaf de afgifte ervan. De vervaldatum die vermeld wordt op het document, mag de datum waarop het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt niet overschrijden.

Wat de kinderen onder de twaalf jaar betreft die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of in het wachtregister, mag de geldigheidsduur van het
identiteitsbewijs, dat op naam van het kind afgegeven wordt, die van de verblijfsvergunning uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger niet overschrijden.

Er kunnen zich moeilijkheden voordoen wanneer de vader en de moeder van een kind onder de twaalf jaar houder zijn van een verblijfsvergunning waarvan de
geldigheidsduur verschilt.

In geval het gezag over de persoon van het kind uitsluitend toevertrouwd werd aanéén ouder (hetzij na de ontbinding van het huwelijk overeenkomstig artikel 1258 of 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij tijdens het huwelijk overeenkomstig artikel 373, laatste lid, of 374, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), wordt de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs, dat op naam van het kind opgemaakt wordt, bepaald door de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, waarvan de ouder die alleen gemachtigd is om het verzoek in te dienen houder is.

In alle andere gevallen zal de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs bepaald worden door de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de vader of de
moeder, die alleen het verzoek indient bij het gemeentebestuur. Als het verzoek ingediend wordt door de vader en de moeder samen, zal de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs bepaald worden door die van de verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur de langste is.

49bis. Het identiteitsbewijs vervalt :

- na verloop van de geldigheidsduur
- in geval van verandering van verblijfplaats of adres
- in geval van verandering van naam, voornaam of nationaliteit.

In deze gevallen zal, op verzoek van de persoon of de personen die het ouderlijke gezag over het kind uitoefenen, een nieuw identiteitsbewijs met een geldigheidsduur van twee jaar opgemaakt worden.

Het kan vernieuwd worden in geval van verlies of vernietiging.

49ter. De maximumkostprijs die de gemeente kan vorderen voor het afgeven van een identiteitsbewijs bedraagt 1,24 €.

49quater. Het identiteitsbewijs bestaat uit een wit tweeluik, waarvan elk luik 74 mm bij 105 mm meet. Het wordt opgemaakt op effen papier, waarvan het minimumgewicht per vierkante meter 135 gram bedraagt (zie artikel 2, tweede lid, van het ministerieel besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 9 en 16 van het voornoemde koninklijk besluit van 10 december 1996).

De gemeente zorgt ervoor dat het identiteitsbewijs hetzij bedekt wordt met een plastieken laagje, hetzij geplaatst wordt in een plastic zakje, dat langs drie zijden
gesloten is.

De gemeentebesturen kunnen de plastic zakjes vrij aankopen, alsmede de identiteitsbewijzen die conform dienen te zijn aan het model afgebeeld in bijlage 2
van het koninklijk besluit van 10 december 1996 (model 2 a, 2 b, 2 c).

49quinquies. Volgende gegevens worden op het identiteitsbewijs vermeld:

LUIK 1. VOORZIJDE :
Voorgedrukte meldingen : zie model 2a.

LUIK 1. KEERZIJDE :
-het nummer :

Als de gemeente van uitgifte van het identiteitsbewijs dezelfde is als de gemeente die het identiteitsstuk uitgereikt heeft, is het nummer dat op het identiteitsbewijs vermeld wordt hetzelfde als datgene dat vermeld is op het identiteitsstuk (met inbegrip van het jaartal).

In het tegenovergestelde geval of indien het nummer van het identiteitsstuk niet bekend is, wordt een nummer toegekend door de gemeente van uitgifte. Dit nummer bevat het jaartal in twee cijfers en een reeksnummer in vier cijfers, dat toegekend wordt door de gemeente. In dat geval, staat het de gemeente vrij, voor elk jaartal, een reeks nummers voor te behouden.

Bij de afgifte van een identiteitsbewijs aan een kind, wordt na de datum van afgifte het nummer van dit identiteitsbewijs vermeld in de bevolkingsregisters, onder
het informatietype "identiteitsbewijs" (I.T. 195).

Code 70 betreft het identiteitsbewijs.(1)
- de naam
- de voornaam of voornamen
- de identiteit van de ouders
- de nationaliteit
- de geboorteplaats en -datum
- het adres (straat en nummer)
- het register van inschrijving wordt vermeld op de volgende wijze :

B.R. voor het bevolkingsregister
V.R. voor het vreemdelingenregister
W.R. voor het wachtregister.

LUIK 2. VOORZIJDE :

Onder de foto en het zegel der gemeente, dat noodzakelijkerwijze met een droogstempel - gedeeltelijk op de foto - dient aangebracht te worden :
- de gemeente en de datum van afgifte;
- de datum waarop het document vervalt (datum van afgifte plus maximum 2 jaar min 1 dag);
- de handtekening van de ambtenaar van de burgerlijke stand of zijn gemachtigde.

LUIK 2. KEERZIJDE :
- naam en adres van de persoon die in geval van nood dient gewaarschuwd te worden, alsmede het of de telefoonnummers via hetwelk of dewelke men met deze persoon in contact kan treden;
- veiligheidsaanbevelingen : voorgedrukte meldingen.

50. De foto van de houder moet recent en goed gelijkend zijn. Zij moet in vooraanzicht worden genomen.

Zij moet voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden die vereist worden voor de foto, diehe identiteitskaart, uitgereikt overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten (artikel 1 van het voornoemde ministerieel besluit van 23 december 1996).Hieromtrent dient verwezen te worden naar nummer 15, Afdeling III, Hoofdstuk I, van Deel III van de Algemene Onderrichtingen.

De gemeentebediende belast met de uitreiking van het identiteitsbewijs moet de gelijkenis tussen de voorgelegde foto en het uiterlijk van de houder controleren
(artikel 2, eerste lid, van het voornoemde ministerieel besluit van 23 december 1996).

51. De gegevens betreffende de persoon die in geval van nood dient gewaarschuwd te worden, worden door het gemeentebestuur ingevuld na raadpleging van de in nummer 48 bedoelde verklaring.

Deze informatie blijft geldig tijdens de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs. Als echter door de indiener van de in nummer 48 bedoelde verklaring geen enkele
informatie verstrekt wordt betreffende de persoon, die in geval van nood dient te worden gewaarschuwd, vult het gemeentebestuur deze rubrieken aan met de
vermelding "NIHIL". Dergelijk gebrek aan informatie dient echter vermeden te worden.

Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen.

52. Als de gemeente in geval van verlies of beschadiging ernstige twijfels heeft aangaande de realiteit van dit verlies of deze beschadiging, moet ze een schriftelijke
verklaring eisen van de persoon die het verzoek indient.

Elke poging tot fraude, misbruik, vervalsing of namaak dient onderzocht te worden door de politieoverheid. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Algemene Politiesteundienst en de bevoegde gerechtelijke overheden moeten ervan op de hoogte gesteld worden.

Indien u de volledige richtlijn wil lezen kan u dat hier

7 18 JULI 2006. - Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (1)

De wet op het verblijfsco-ouderschap gepubliceerd in de Belgisch Staatsblad op 4 september 2006 wordt van toepassing op 4 november 2006

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
« § 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.
Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders. »

Art. 3. Artikel 387bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt aangevuld met de volgende leden :
« Onverminderd artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek, poogt de rechtbank de partijen te verzoenen. Zij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bemiddeling. Indien zij vaststelt dat een toenadering mogelijk is, kan zij de schorsing van de procedure bevelen, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen hierover in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de schorsing mag niet meer dan één maand bedragen.
De rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel bevelen teneinde de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voor een termijn die zij vaststelt, voorlopig te regelen.

Ingeval een dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis, binnen een termijn die één jaar niet te boven mag gaan, en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is aangegeven in het volgende lid :

De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie

Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken. »

Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387ter ingevoegd, luidende :
« Artikel 387ter. § 1. Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht.
De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, kan hij onder meer :
- nieuwe onderzoeksmaatregelen verrichten, zoals een maatschappelijke enquête of een deskundigenonderzoek;
- een poging tot verzoening ondernemen;
- de partijen voorstellen gebruik te maken van de in artikel 387bis bepaalde bemiddeling.
Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd § 3, wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
§ 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen. »

HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 5. Artikel 1412, eerste lid,van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en 14 januari 1993, wordt aangevuld als volgt :
« 3° wanneer de rechter artikel 387ter, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast. »

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 18 juli 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX

VERORDENING (EG) Nr. 2201/2003 VAN DE RAAD van 27 november 2003

betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

Dit is de Europese wetgeving in verband met kinderontvoering, U kunt deze hier volledig nalezen

Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, gesloten te Den Haag 25 oktober 1980

Dit Verdrag heeft tot doel:

a) de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat;

b) het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen.

U kunt het volledige verdrag hier lezen

7 MEI 2007. - Circulaire betreffende de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan

Ik vestig uw aandacht op de bepalingen van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006. Het is belangrijk op te merken dat in het staatsblad van 28 december 2006 de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) werd gepubliceerd die de wet van 1 juli 2006 op een aantal punten wijzigt (zie titel XVII - Justitie, Hoofdstuk 1 - Wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming). Overeenkomstig artikel 26 van de wet van 1 juli 2006, ingevoegd bij artikel 373 van de wet van 27 december 2006, zullen de bepalingen van de wet van 1 juli 2006, in werking treden op 1 juli 2007. Krachtens artikel 374 van de wet van 27 december 2006 treden de wijzigingsbepalingen in werking op dezelfde datum.
Deze circulaire strekt ertoe de ambtenaren van de burgerlijke stand voor te lichten over de draagwijdte van de bepalingen die zij mogelijkerwijze moeten toepassen in de uitoefening van hun ambt. Het is geenszins de bedoeling de volledige hervorming van het afstammingsrecht erin uitvoerig te bespreken.
I. Belangrijkste hervormingen
Vooreerst moet eraan worden herinnerd dat de nieuwe regelgeving uiteraard slechts van toepassing is onder voorbehoud van de bepalingen van het Wetboek van internationaal privaatrecht. Ik verwijs ter zake naar de circulaire van 23 september 2004 betreffende de aspecten van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht die betrekking hebben op het personeel statuut (Belgisch Staatsblad van 28 september 2004).
Daarenboven wordt de inhoud van de ministeriële circulaire van 22 mei 1987 betreffende de toepassing van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming (Belgisch Staatsblad van 27 mei 1987) in herinnering gebracht. Deze nieuwe circulaire is slechts van toepassing op de nieuwe bepalingen. De circulaire van 9 april 1990 betreffende de erkenning bij notariële akte zal daarentegen niet meer van toepassing zijn vermits deze betrekking had op de homologatie van de erkenning die ingevolge de nieuwe wet wordt afgeschaft. Mijn diensten zullen in samenwerking met de Koninklijke Federatie van Notarissen nagaan of specifieke nieuwe instructies zich opdringen in verband met notariële erkenningen.
Teneinde de lectuur van de wet te vergemakkelijken zal op de website van mijn departement (www.just.fgov.be, Justitie van A tot Z, onder het trefwoord afstamming) een officieuze gecoördineerde versie van de nieuwe bepalingen ter beschikking worden gesteld.
Het eerste doel van de hervorming is om in de wet van 31 maart 1987 op de afstamming de discriminaties op te heffen die door de talrijke arresten van het Arbitragehof aan het licht zijn gebracht. Het gaat meer bepaald om de arresten in verband met de erkenning door de vader, het onderzoek naar het vaderschap, de naam van een buitenechtelijk kind, of nog het verbod op de vaststelling van de afstamming tussen verwanten als het huwelijk waardoor het beletsel is ontstaan nietig verklaard of ontbonden is.
De wet gaat echter verder en beoogt tevens het afstammingsrecht te actualiseren en aan te passen aan de huidige maatschappelijke evoluties.

 

De volledige wetgeving is hier te lezen

Nieuwe afstammingswet vanaf 1 juli 2007

In juni 2006 keurde het Parlement het wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan goed. De wet is in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 29 december 2006 en treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 juli 2007.

De nieuwe wet brengt twee belangrijke wijzigingen aan het afstammingsrecht. Het vermoeden van vaderschap houdt voortaan rekening met de feitelijke situatie en de toestemming van de moeder bij erkenning zal door de biologische vader gemakkelijker verkregen kunnen worden via de rechtbank.

Vermoeden van vaderschap

Onder de oude afstammingswet geldt het vermoeden van vaderschap tot 300 dagen na de officiële scheiding. Tot 300 dagen na de officiële scheiding wordt de echtgenoot van de moeder beschouwd als de vader van het kind, ook al leefden man en vrouw al jaren feitelijk gescheiden.

Veel feitelijk gescheiden mensen worden op het ogenblik van de geboorteaangifte geconfronteerd met het feit dat het kind uit een nieuwe relatie de familienaam van de ex-partner krijgt. Om dit ongedaan te maken, is het opstarten van een procedure tot betwisting van het vaderschap de enige mogelijkheid.

Met de nieuwe wet wordt de strenge toepassing van de vaderschapsregel gemilderd. Men houdt nu rekening met de feitelijke situatie. Artikel 316 bis wordt ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek: het vermoeden van vaderschap is niet meer van toepassing wanneer het kind geboren wordt meer dan 300 dagen nadat de rechter of vrederechter een machtiging gegeven heeft om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken of meer dan 300 dagen nadat de echtgenoten op verschillende adressen zijn ingeschreven, blijkens het bevolkingsregister.
De officiële echtscheiding is dus niet langer het criterium, wel de feitelijke scheiding.

Nieuw in de wet is ook dat de biologische vader of de persoon die het vaderschap opeist, voortaan de procedure tot betwisting van het vaderschap kan instellen. In de oude wet is dit recht voorbehouden voor moeder, kind en persoon ten aanzien van wie de afstamming vaststaat.
De vordering moet ingesteld worden binnen het jaar na de ontdekking van de geboorte van het kind.

Erkenning

Wanneer een man zijn kind wil erkennen, is de toestemming van de moeder van het kind nodig. Bij gebreke aan die toestemming, kan degene die het kind wil erkennen, de moeder dagvaarden voor de rechtbank. De rechter moet dan oordelen over het verzoek tot erkenning.

Als een dergelijk verzoek gebeurt binnen het jaar na de geboorte van het kind, zal de rechter de erkenning enkel weigeren indien vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader is.
Wanneer de biologische vader een kind wenst te erkennen dat 1 jaar of ouder is, zal de rechter de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.

Martine Taelman

Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap