WETGEVING - ECHTSCHEIDING

I ECHTSCHEIDING I OMGANGSRECHT I ALIMENTATIE I SCHOOL I RECHTEN VAN HET KIND I ERFRECHT I WETSVOORSTEL I

1 Wet van 13 APRIL 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag
2 UITTREKSEL uit het BURGERLIJK WETBOEK OUDERLIJK GEZAG
3 Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II)
4 Wet betreffende de hervorming van de echtscheiding
5 RICHTLIJN 2008/52/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken
6 Wetgever past kostenregeling echtscheiding aan 17/11/2009
7 Schuldloze echtscheiding : verplichting persoonlijke verschijning voor de rechter en verplichte pging tot verzoening afgeschaft 19/01/2011
8 Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de persoonlijke verschijning en de poging tot verzoening bij echtscheiding betreft en tot invoering van een kennisgeving over het bestaan en het nut van bemiddeling in echtscheidingszaken 05/04/2011
 
Wet van 13 APRIL 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Artikel 108 van het Burgerlijk Wetboek wordt ver­vangen door de volgende bepaling :

"Art. 108. De niet-ontvoogde minderjarige heeft zijn woon­plaats in de gezamenlijke verblijfplaats van zijn ouders of, indien die niet samenleven, in de verblijfplaats van één van beiden.

Degene die onder voogdij is geplaatst, heeft zijn woonplaats bij zijn voogd."

Art. 2. In artikel 203, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :

"De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toe­zicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen."

Art. 3. Artikel 302 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 302. Na de ontbinding van het huwelijk door echtschei­ding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de voor­zitter rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek."

Art. 4. Artikel 303 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 5. Artikel 371 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 371. Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd."

Art. 6. Art. 372 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 372. Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding."

Art. 7. Artikel 373 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 373. Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderin­gen.

Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.

De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen al­leen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen."

Art. 8. Artikel 374 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 374. Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in arti­kel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden.

Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbe­schouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.

Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.

Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige re­denen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf."

Art. 9. Artikel 375 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt :

"Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt."

Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 375bis inge­voegd, luidend als volgt :

"Art. 375bis. De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.

Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank."

Art. 11. Artikel 376 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderin­gen.

Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wen­den."

Art. 12. Artikel 377 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 13. Artikel 384 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 384. De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer : het behoort toe, hetzij aan de beide ouders samen, hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind."

Art. 14. Artikel 385 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 15. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387bis inge­voegd, luidend als volgt :

"Art. 387bis. In alle gevallen, en onverminderd de bevoegd­heid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen."

Art. 16. Artikel 1279 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven.

Art. 17. In artikel 1288, 2°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "het bestuur over de persoon en over de goederen van de kinderen" vervangen door de woorden "het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen", en de woorden "en het recht van bezoek" door de woorden "en het recht op persoonlijk contact zoals bedoeld in artikel 374, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek".

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 13 april 1995.

UITTREKSEL uit het BURGERLIJK WETBOEK OUDERLIJK GEZAG

TITEL IX - OUDERLIJK GEZAG

AFDELING 1. DE PERSOON VAN HET KIND

371. Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.

372. Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding.

373. Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.

Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderin­gen.

Bij gebreke van instemming kan een van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.

De rechtbank kan een van de ouders toestemming verlenen al­leen op te treden voor een of meer bepaalde handelingen.

374. Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ou­derlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden.

Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbe­schouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.

Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.

Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige re­denen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

375. Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van beiden overleden of af­wezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, oefent de andere dat gezag alleen uit.

Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uigewerkt.

375bis. De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.

Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank.

Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II)

De Unie heeft de bepalingen inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid in één rechtsinstrument ondergebracht om het werk van rechters en practici te vergemakkelijken en de uitoefening van het grensoverschrijdend omgangsrecht te regelen. Deze verordening vormt ook een belangrijke stap in de strijd tegen ontvoeringen van kinderen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 .

SAMENVATTING

Met de verordening worden de bepalingen inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid in één rechtsinstrument ondergebracht en wordt onder andere de automatische erkenning van omgangrechtsbeslissingen geregeld , dit in het kader van een initiatief van Frankrijk uit 2000.

De Unie beschouwt het recht van het kind om regelmatig contact met elk van beide ouders te onderhouden, als een prioriteit. Daartoe zal het kind het recht hebben om te worden gehoord over elke aangelegenheid in verband met de over hem uitgeoefende ouderlijke verantwoordelijkheid, in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

Toepassingsgebied, definities en bevoegdheid

Deze verordening is van toepassing op burgerlijke procedures betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, en alle aangelegenheden in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid wordt verstaan, het geheel van rechten en plichten die betrekking hebben op de persoon of het vermogen van een kind. Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

De verordening is niet van toepassing op de burgerlijke procedures betreffende onderhoudsverplichtingen, die vallen onder Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Ook is de verordening niet van toepassing op:

  • de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;
  • adoptiebeslissingen, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;
  • de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;
  • de handlichting;
  • trusts en erfopvolging;
  • maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.

De verordening voert een volledige bevoegdheidsregeling in. Wat echtscheiding betreft, worden de bevoegdheidsregels van Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad overgenomen.

Wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, berust de bevoegdheid over het algemeen bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Er bestaan echter uitzonderingen op deze regel. In geval van wettige wijziging van de verblijfplaats van het kind (verhuizing), blijven de rechterlijke instanties van de lidstaat van de oude gewone verblijfplaats van het kind die reeds een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid (met name het omgangsrecht) hebben genomen, onder bepaalde voorwaarden bevoegd. Voorts kunnen de ouders aanvaarden dat de rechterlijke instantie die het verzoek om echtscheiding heeft toegewezen, ook bevoegd is ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Tevens kunnen de ouders onder bepaalde voorwaarden aanvaarden dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechterlijke instanties van een andere lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft, bijvoorbeeld op grond van zijn nationaliteit.

Wanneer de gewone verblijfplaats van het kind niet kan worden vastgesteld, zijn de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind zich bevindt, bevoegd. Deze bepaling geldt met name voor vluchtelingenkinderen en kinderen die ten gevolge van onlusten die in hun land plaatsvinden, naar een ander land zijn overgebracht. Als de bevoegdheid niet kan worden bepaald aan de hand van specifieke bepalingen van de verordening, kan elke lidstaat zijn nationale wetgeving toepassen. Ten slotte kan een zaak in uitzonderlijke omstandigheden worden verwezen naar een rechtbank die beter in staat is de zaak te behandelen, indien dit in het belang van het kind is.

De rechterlijke instanties moeten ambtshalve onderzoeken of zij overeenkomstig deze verordening bevoegd zijn. Wanneer bij een rechterlijke instantie van een lidstaat een zaak aanhangig wordt gemaakt waarvoor zij niet bevoegd is, dan moet zij zich ambtshalve onbevoegd verklaren. Indien een procedure wordt ingesteld tegen een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft, moeten de rechterlijke instanties onderzoeken of de verweerder het gedinginleidende stuk zo tijdig heeft ontvangen als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was. Bovendien kunnen de rechterlijke instanties in spoedeisende gevallen voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot personen en goederen nemen.

Regels in verband met ontvoeringen van kinderen

De verordening voert ook regels in verband met ontvoeringen van kinderen in (ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind ). Deze regels hebben ten doel ontvoeringen van kinderen binnen de Europese Unie te voorkomen.

In geval van ontvoering van een kind, mag de persoon die gezagsrechten bezit bij een centrale autoriteit een verzoek om terugzending van het kind indienen. Hij kan zich hiervoor ook tot een rechtbank wenden.

Volgens de algemene bevoegdheidsregel blijven de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind vóór de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had, na de ontvoering bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat over een gewone verblijfsplaats beschikt (met toestemming van enige persoon, instelling of andere lichamen die gezagsrecht bezitten en na een verblijf van minimaal een jaar).

Het betreffende gerecht moet uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, een beslissing geven. Het kind wordt tijdens de procedure gehoord, tenzij dit gezien zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam wordt geacht. Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet weigeren indien de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt, niet is gehoord.

De rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind is ontvoerd, kunnen de terugkeer van het kind niet weigeren tenzij er een ernstig risico bestaat voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind (ingevolge artikel 13, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980). De verordening bepaalt dat de rechter in het laatste geval de terugkeer van het kind toch moet gelasten wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.

Als een gerecht een beslissing houdende niet-terugkeer heeft gegeven, moet het de stukken toezenden aan het bevoegde gerecht van de lidstaat waar het kind vóór zijn ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Dit gerecht heeft het laatste woord inzake de terugkeer van het kind. De rechter moet het kind en de partijen in de gelegenheid stellen te worden gehoord en ook rekening houden met de argumenten en bewijsstukken op basis waarvan de eerste rechter zijn beslissing tot niet-terugkeer heeft gegeven. Als de rechter in de lidstaat van oorsprong tot een andere beslissing komt, namelijk dat het kind moet terugkeren, wordt deze beslissing in de andere lidstaat automatisch erkend en is deze uitvoerbaar zonder dat een beslissing tot uitvoerbaarverklaring benodigd is (afschaffing van het zogeheten exequatur) en zonder dat hiertegen een rechtsmiddel open staat, mits de rechter uit de lidstaat van oorsprong een certificaat (bijlage IV) heeft afgegeven.

Erkenning en tenuitvoerlegging

De regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging nemen de regels van Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad terzake over.

Inzake erkenning waarborgt de verordening de automatische erkenning van iedere beslissing zonder dat een bijzondere procedure vereist is en beperkt zij de gronden tot weigering voor beslissingen inzake huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid indien:

  • de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde;
  • de verweerder niet in zijn verdediging heeft kunnen voorzien door een laattijdige betekening van het gedinginleidende stuk;
  • de erkenning onverenigbaar is met een andere beslissing.

Voor beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn er nog twee andere gronden tot niet-erkenning, namelijk:

  • het kind heeft niet de gelegenheid gekregen te worden gehoord;
  • een persoon die beweert dat de beslissing in de weg staat aan de uitoefening van haar ouderlijke verantwoordelijkheid, is niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Een beslissing betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid zal op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar kunnen worden verklaard in een andere lidstaat (en in de verschillende regio's van het Verenigd Koninkrijk, na voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd). Tegen de beslissing die de beslissing uitvoerbaar verklaart, kan een rechtsmiddel worden ingesteld.

Wat de beslissingen inzake huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, kan elke belanghebbende de bevoegde rechterlijke instantie verzoeken om een certificaat volgens een modelformulier dat bij de verordening is gevoegd (bijlage I en bijlage II).

Elke beslissing inzake het omgangsrecht en de terugzending van het kind die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is genomen, zal automatisch worden erkend en ten uitvoer worden gelegd in alle lidstaten zonder dat daartoe enigerlei bijzondere procedure vereist is (afschaffing van het exequatur), op voorwaarde dat bij de beslissing een certificaat is gevoegd. Een modelformulier van certificaten betreffende het omgangsrecht en de terugzending van het kind is als bijlage bij deze verordening gevoegd (respectievelijk bijlage III en bijlage IV).

Tegen het certificaat dat met het oog op een vereenvoudigde tenuitvoerlegging van de beslissing wordt afgegeven, dient geen rechtsmiddel open te staan. Wanneer het certificaat de inhoud van de beslissing niet correct weergeeft, kan echter een rectificatieprocedure worden gestart.

De procedure van tenuitvoerlegging wordt geregeld bij de nationale wetgeving van de aangezochte lidstaat.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de beslissing die het omgangsrecht erkent en de modaliteiten van uitoefening. De rechter van de lidstaat van tenuitvoerlegging kan de modaliteiten van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen indien de noodzakelijke modaliteiten niet zijn vastgesteld in de beslissing van de gerechten van de lidstaat waar de beslissing inzake het omgangsrecht is gegeven. Wel moet de rechter de wezenlijke bestanddelen van die beslissing eerbiedigen bij de vaststelling van de modaliteiten.

Samenwerking tussen de centrale autoriteiten

Elke lidstaat wijst een of meer centrale autoriteiten aan die verschillende taken heeft, met name:

  • bevordering van de uitwisseling van informatie over de respectieve nationale wetten en procedures;
  • ondersteuning van de informatie-uitwisseling tussen de gerechten;
  • verlening van bijstand aan personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind dragen, bij een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing;
  • bevordering van het oplossen van conflicten tussen personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen via alternatieve middelen zoals bemiddeling.

In dit verband komen de centrale autoriteiten regelmatig bijeen in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken .

Iedereen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt, kan om gratis hulp vragen bij de centrale autoriteit van de lidstaat waar hij/zij of het kind gewoonlijk verblijft.

Over het algemeen zal de verordening in de plaats treden van de bestaande overeenkomsten tussen twee of meer lidstaten die betrekking hebben op onderwerpen welke in deze verordening zijn geregeld. Bovendien zal de verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten voorrang hebben boven de volgende verdragen, voorzover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld, namelijk: het Verdrag van 's-Gravenhage van 1961 (toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen), het Verdrag van Luxemburg van 1967 (erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband), het Verdrag van 's-Gravenhage van 1970 (erkenning van echtscheidingen), het Europees Verdrag van 1980 (gezag over kinderen) en het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 (burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen).

In de verhouding tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen is de verordening in haar geheel van toepassing indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft. Bovendien zijn de voorschriften voor de erkenning en de tenuitvoerlegging ook van toepassing wanneer het bevoegde gerecht van een lidstaat een beslissing geeft terwijl het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die partij is bij genoemd Verdrag.

Verder zijn bijzondere bepalingen van kracht voor:

  • de betrekkingen met Finland en Zweden met Denemarken, IJsland en Noorwegen in verband met de toepassing van het Verdrag van 6 februari 1931 ("Noordse overeenkomst inzake het huwelijk" genoemd);
  • de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en Portugal, Italië en Spanje.

Slotbepalingen

Een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten staat de Commissie bij in de tenuitvoerlegging van de verordening.

Uiterlijk op 1 januari 2012 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie, op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing van deze verordening in, dat zo nodig vergezeld gaat van voorstellen tot wijziging van de verordening.

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben te kennen gegeven aan toepassing van de verordening te willen deel nemen. Denemarken neemt niet deel aan de aanneming van de verordening, die derhalve niet van toepassing is op dit land.

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2004 en is van toepassing met ingang van 1 maart 2005.

Wet betreffende de hervorming van de echtscheiding

de nieuwe wet op de hervorming van de echtscheidingsprocedure in het Belgisch Staatsblad verschenen.
U kunt de wet lezen door op de afbeelding hier onder te klikken

RICHTLIJN 2008/52/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken

Deze richtlijn heeft ten doel de toegang tot de alternatieve geschillenbeslechting te vergemakkelijken en de minnelijke schikking van geschillen te bevorderen, door het gebruik van bemiddeling/mediation aan te moedigen en te zorgen voor een evenwichtige samenhang tussen bemiddeling/mediation en behandeling in rechte.

Voor het lezen van de volledige richtlijn klik op het icoon

Wetgever past kostenregeling echtscheiding aan wet van 7/11/2009 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de kostenverdeling onder partijen bij een echtscheidingsprocedure

Voor het lezen van de volledige wettekst in het staatsblad klik op het icoon

Schuldloze echtscheiding : verplichting persoonlijke verschijning voor de rechter en verplichte poging tot verzoening afgeschaft

Kamercommissie Justitie keurt Battheu Sabiens wetsvoorstel goed dat echtscheidingswet vereenvoudigt


"Na maandenlang debat was hierover in maart vorig jaar een consensus bereikt in de subcommissie Familierecht, maar door de val van de regering kwam het niet meer tot een stemming. Ik ben tevreden dat het vele werk niet voor niks is geweest en dat het wetsvoorstel vandaag over de (onduidelijke) grenzen van meerderheid en oppositie op een goedkeuring kon rekenen. Een unieke situatie, want sinds de installatie van het parlement in juli vorig jaar kon nog geen enkel parlementslid een eigen wetsvoorstel goedgekeurd krijgen", aldus Sabien.

Persoonlijke verschijning

"Beide echtgenoten moeten nu één of twee keer voor de rechtbank verschijnen, om de 'duurzame ontwrichting van hun huwelijk' aan te tonen. De verplichting tot persoonlijke verschijning werd ingevoerd met de nieuwe echtscheidingswet van 2007. Maar ze blijkt een maat voor niets te zijn. Daarom wordt ze nu afgeschaft, behalve wanneer zaken, die aan de belangen van de kinderen zijn verbonden, voor de rechter ter sprake komen", zegt Sabien.

Het wetsvoorstel komt tegemoet aan een aantal praktische problemen waarmee zeker mensen die willen scheiden, maar ook de rechtbanken zich geconfronteerd zien. "In elke rechtbank waar echtscheidingen op de agenda staan, doet zich hetzelfde fenomeen voor. Er staan lange rijen bijna ex-echtgenoten opeengepakt in of net buiten de rechtszaal. Wie aan de beurt is, verschijnt voor de rechter die de standaardvraag stelt of men kennis heeft van de mogelijkheid tot bemiddeling en of men verder wil gaan met zijn scheiding. Weinig kans dat een koppel op dat moment nog zal terugkomen op de wens om te scheiden", aldus Sabien.

"Daarnaast is er het probleem van de vaak onaangepaste infrastructuur van de rechtbanken voor dergelijke procedures, de extra werklast voor de rechters en het personeel, het feit dat wie moet verschijnen ook verlof moet opnemen en het gevoel van vernedering dat sommigen ervaren doordat ze ‘ter verantwoording' worden geroepen."

Bemiddeling

Tijdens de werkzaamheden in de subcommissie Familierecht werd vaak de link gelegd met het belang van bemiddeling in familiezaken. Sabien: "De zitting waar hun echtscheiding behandeld wordt, is niet het geschikte tijdstip om partijen nog in te lichten over het bestaan van bemiddeling. Dit zijn eigenlijk vijgen na Pasen. Op dat moment hebben beide partijen al beslist om te scheiden. Bemiddeling is zeker een nuttig instrument, maar zou idealiter moeten gebeuren voordat de rechter zich uitspreekt over de echtscheiding. Vandaar dat via amendering op mijn wetsvoorstel werd voorzien dat van zodra de vordering wordt ingesteld, de griffier de partijen inlicht over die mogelijkheid. Hij stuurt ze de desbetreffende wetsartikelen, een informatiebrochure en een lijst met bemiddelaars toe. Op deze manier zullen partijen tijdig en efficiënt worden ingelicht zonder dat de rechter nog de ‘postbodefunctie' op zich moet nemen", besluit Sabien.

Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de persoonlijke verschijning en de poging tot verzoening bij echtscheiding betreft en tot invoering van een kennisgeving over het bestaan en het nut van bemiddeling in echtscheidingszaken

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 78 van de Grondwet.


HOOFDSTUK 2. — Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek


Art. 2. In artikel 1254 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij
de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, wordt
een § 4/1 ingevoegd luidende :


« § 4/1. Zodra de eerste vordering is ingesteld, licht de griffier de
partijen in over de mogelijkheid tot bemiddeling door hen onverwijld
de tekst van de artikelen 1730 tot 1737 te sturen samen met een door de
Minister bevoegd voor Justitie opgestelde informatiebrochure over
bemiddeling, alsook de lijst van de erkende bemiddelaars die zijn
gespecialiseerd in familiezaken en zijn gevestigd in het betrokken
gerechtelijk arrondissement. »


Art. 3. In artikel 1255 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet
van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, wordt § 6
vervangen door wat volgt: lees de volledige wetswijzeging hier

Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap