FISCALITEIT - ARTIKELS

I PUBLICATIES I AANSLAGJAAR 2006 I

kinderbijslag kan verdeeld worden bij bilocatie
  Ongehuwd samenwonen zonder brokken
  Wanneer is een student fiscaal ten laste
  Dubbelbelastingsverdrag tussen België en Nederland
  Aftrek onderhoudsuitkering kinderen
  Belastingregeling die van toepassing is op de onderhoudsuitkeringen
  Alimentatie is (soms) fiscaal aftrekbaar
  Opvang kinderen zorgt voor belastingvermindering

kinderbijslag kan verdeeld worden bij bilocatie

TITEL XVII. - Financiën
HOOFDSTUK I.
Wijziging van de wetgeving inzake inkomstenbelastingen

Art. 279. Artikel 132bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :

« Art. 132bis. De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar samen het ouderlijk gezag uitoefenen over één of meer kinderen ten laste die recht geven op de bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen :

- hetzij op grond van een geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen;

- hetzij op grond van een rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen.

In dat geval worden de toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, waarop die kinderen recht geven, en die worden vastgesteld ongeacht of er al dan niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan ze deel uitmaken, voor de helft toegekend aan elk van de belastingplichtigen.

In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, voor de helft toegekend aan de belastingplichtige die geen aftrek vraagt van de uitgaven voor kinderoppas bedoeld in artikel 104, 7°.

Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking van de administratie worden gehouden zolang minstens één van de kinderen waarover het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.

Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.

Dit artikel is niet van toepassing op de in de eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in artikel 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen. ».

Bron Het Staatsblad

Ongehuwd samenwonen zonder brokken

Samenwonen is in. Afgelopen jaar, zo bleek onlangs (DS 8 november), werden maar liefst 30.749 samenlevingscontract en afgesloten. Sinds 1 januari 2000 bestaat er een wettelijk kader voor samenwonende partners.

Zoals in een huwelijk zijn er voor hen die kiezen voor een wettelijk statuut een aantal dwingende bepalingen (bijvoorbeeld bescherming van de gezinswoning, bijdrageplicht in de gezinslasten). Die bepalingen moet je wel wat relativeren, want de wettelijke samenwoning kan op elk ogenblik eenzijdig en zonder tussenkomst van de rechter worden beëindigd. De voormelde rechten en plichten gelden niet voor partners die louter of feitelijk samenwonen.

Hoe kunnen samenwonende partners zich vermogensrechtelijk beschermen?

Het testament kan een oplossing bieden. Op fiscaal vlak biedt het testament zeker perspectieven, vermits in de drie gewesten de samenwonende partners fiscaal met echtgenoten worden gelijkgesteld. Bovendien kunnen in het Vlaams Gewest ook de feitelijk samenwonenden een voordelig successietarief (3, 9 of 27 procent) genieten. Met als kers op de taart de vrijstelling van het successierecht voor de gezinswoning, die vanaf 1 januari 2007 in Vlaanderen ook voor samenwonende partners van toepassing is.

Keerzijde van de medaille is het eenzijdig karakter van een testament, dat steeds kan worden herroepen. In die optiek is het dan soms aangewezen om contracten af te sluiten. Bovendien zal men bij het testament ook rekening houden met kinderen uit een vorig huwelijk of een eerdere relatie.

Zowel de wettelijk als feitelijk samenwonenden kunnen voor de planning van hun vermogen ook samenlevingsovereenkomsten afsluiten. Wettelijk samenwonenden zijn verplicht zich te beroepen op een notaris, voor feitelijk samenwonenden volstaat een onderhandse overeenkomst.

In samenlevingsovereenkomsten kunnen de volgende regelingen worden opgenomen: een lijst van eigen goederen van elk der partners zodat het eigendomsbewijs tussen hen perfect geregeld is; hoeveel elk van hen zal bijdragen in de huishouding en dit bijvoorbeeld in functie van ieders inkomsten; hoe de medeafbetaling van de lening zal verrekend worden bij het inwonen in een huis of appartement van één der partijen; wat de rechten van de andere partner zijn bij het einde.

Verder kunnen samenwonenden in hun samenlevingscontract een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen inbouwen. Op dat ogenblik wordt een bepaald goed (roerend of onroerend) tegen een algemeen vast recht (25 euro) ingebracht. Voorwaarde is wel dat dit mechanisme het beginsel van de zaakvervanging voorziet. Als daarin niet wordt voorzien zou de inbreng van onroerende goederen met evenredige verkooprechten (10 of 12,5 procent) gepaard gaan.

Voor de langstlevende van hen kan vervolgens een recht van overname of een voorkeurrecht worden voorzien. Noteer hierbij dat de overlevende partner wel registratierechten (10 procent) zal betalen voor de verkrijging van onroerende goederen bij het overlijden van de andere partner. In dat geval moet u misschien toch opteren voor een testament dat lagere successierechten of zelfs een vrijstelling voor de gezinswoning voorziet. Of een combinatie van beide. Aan u de keuze.

Jos Ruysseveldt is advocaat en professor aan de Fiscale Hogeschool

Wanneer is een student fiscaal ten laste
Een student moet, om fiscaal ten laste te zijn, voldoen aan een aantal voorwaarden :
- Een student kan fiscaal ten laste zijn van ouders, grootouders, broer, zus, schoonbroer of schoonzus of van een andere persoon indien die persoon de student reeds ten laste had voor de student 21 jaar was.
- De student moet inwonen (i.e. gedomicilieerd zijn) bij de persoon bij wie hij of zij ten laste is.
- De student mag op jaarbasis een maximumbedrag aan eigen inkomsten hebben van 5.660 Euro. Bij dit inkomen worden studiebeurzen, kinderbijslag en dergelijke niet meegerekend.

Wanneer is een student niet (meer) fiscaal ten laste?
Een student die officieel thuis inwoont, wiens loon aangegeven wordt aan de belastingen en die meer dan 2.490 Euro netto-belastbaar per jaar verdient is niét meer fiscaal ten laste.

Een student die officieel thuis inwoont, wiens loon aangegeven wordt aan de belastingen, die een alleenstaande ouder heeft en die meer dan 3.590 Euro netto-belastbaar per jaar verdient is niét meer fiscaal ten laste.

Een student die officieel thuis inwoont, wiens loon aangegeven wordt aan de belastingen, die bovendien een handicap heeft van 66% of meer en die meer dan 4.560 Euro netto-belastbaar per jaar verdient is niét meer fiscaal ten laste.

In verband met alimentatie geldt dat alimentatie vrijgesteld wordt tot 2.490 Euro netto.
Als 80% van de totale alimentatie boven dat bedrag gaat, dan wordt het bedrag boven 2.490 Euro netto meegeteld als inkomen van de student.

Het belastingverdrag tussen België en Nederland voorziet de speciale omstandigheden van grensarbeiders , u kunt de regelingen die getroffen zijn vinden onder artikel 18 van het volgende bestand

Onderhoudsuitkeringen betaald aan kinderen

Onderhoudsuitkeringen betaald aan zijn kinderen
Bijzonder geval : studerende kinderen
Onderhoudsuitkeringen betaald aan zijn kleinkinderen

Onderhoudsuitkeringen betaald aan zijn kinderen
Zijn bedoeld de onderhoudsuitkeringen gestort:


  • aan:
    - kinderen
    - geadopteerde kinderen
    - pleegkinderen


  • die geen deel (meer) uitmaken van het gezin van de onderhoudsplichtige (bijvoorbeeld omdat ze samenwonen met de feitelijk gescheiden, de van tafel en bed gescheiden of de echtgescheiden echtgenoot of omdat ze een eigen gezinsleven hebben opgezet)

  • overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk en het Gerechtelijk Wetboek.


    Bijzonder geval : studerende kinderen

  • In het algemeen wordt aangenomen dat studerende kinderen die om studieredenen tijdelijk van de ouderlijke woning verwijderd zijn, deel blijven uitmaken van het gezin van hun ouders.

    Dit betekent dat de aftrek van onderhoudsuitkeringen betaald door een lid van dat gezin niet toegestaan is.

  • Die onderhoudsuitkeringen kunnen slechts voor aftrek in aanmerking komen indien de studerende kinderen de ouderlijke woning hebben verlaten met de wil om een eigen gezinsleven , onderscheiden van dat van hun ouders, op te zetten.

    Dit is normaal gesproken niet het geval wanneer de kinderen op een studentenkamer verblijven.

  • De wil om een eigen onafhankelijk gezinsleven, onderscheiden van dat van zijn ouders, op te zetten,  vloeit voort uit gebeurtenissen die het leven van het kind beïnvloed hebben in de richting van de stap naar onafhankelijkheid :
    - huwelijk
    - leven als koppel
    - onenigheid met de ouders
    - vertrek uit het gezin wegens de uitoefening van een eerste beroep
    - enz.

    Onderhoudsuitkeringen betaald aan zijn kleinkinderen
    De onderhoudsuitkeringen die de grootouders betalen aan hun kleinkinderen zijn in principe maar aftrekbaar in de mate dat de ouders niet over de nodige middelen beschikken om tegemoet te komen aan hun onderhoudsverplichting.

    Belastingregeling die van toepassing is op de onderhoudsuitkeringen

    1.- De onderhoudsuitkeringen en de kapitalen
    2.- Wanneer de onderhoudsuitkering of het kapitaal
    3.- Nadat wij de voornaamste aanslagprincipes in herinnering hebben gebracht
    4.- De onderhoudsuitkering of het kapitaal dat zulke uitkering vervangt
    5.- De uitkeringen in natura
    6.- Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie
    7.- Het verbod deel uit te maken van het gezin van de uitkeringsplichtige
    8.- De niet-gekapitaliseerde onderhoudsuitkeringen moeten "geregeld" worden betaald
    9.- Van deze voorwaarde inzake de geregelde betaling van de onderhoudsuitkeringen
    10.- De voorwaarde inzake de regelmaat is per definitie niet van toepassing
    11.- De betalingen en de bestemming ervan moeten kunnen worden aangetoond
    12.- De Administratieve commentaar
    13.- Aangezien het fiscaal recht strikt moet worden geïnterpreteerd
    14.- De problematiek van de aftrekbaarheid
    Document aangepast op : 11/08/2005
     

     

    Editie nr 124 van 15 juli 2002

      Auteur:
      Luc HERVE
      Advocaat bij de Balie van Luik
      Wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Luik
      Hoogleraar aan de Ecole Supérieure de Comptabilité de Liège (CBCEC Liège)

    A. Belastingregeling die van toepassing is op de onderhoudsuitkeringen en op de daarmee gelijkgestelde kapitalen - Algemene voorstelling

    1.- De onderhoudsuitkeringen en de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen zijn belastbaar als diverse inkomsten, tot 80% van het bedrag dat werkelijk aan de begunstigde, ook uitkeringsgerechtigde genoemd, werd betaald of toegekend (artikelen 90, 3° en 99 van het W.I.B./92). Zij worden gecumuleerd met zijn andere inkomsten en onderworpen aan het progressieve aanslagtarief, bepaald in artikel 130 van het W.I.B./92.

    Tegelijk vormen de betalingen die door de schuldenaar van deze onderhoudsuitkeringen of kapitalen worden gedaan, ook uitkeringsplichtige genoemd, tot 80% van het bedrag ervan uitgaven die kunnen worden afgetrokken van het geheel van zijn netto-inkomsten, binnen de perken en op de voorwaarden van de artikelen 107 tot 116 van het W.I.B./92, voor zover zij daadwerkelijk in de loop van het belastbare tijdperk werden betaald (artikel 104, 1° van het W.I.B./92).

    Hetzelfde geldt voor de uitkeringen of aanvullende uitkeringen die door de belastingplichtige verschuldigd zijn volgens dezelfde voorwaarden, maar die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben, worden betaald ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd (artikel 104, 2° van het W.I.B./92).

    Niet aftrekbaar zijn echter de uitkeringen die worden betaald voor de gemeenschappelijke kinderen waarvoor ouders die niet tot hetzelfde gezin behoren, maar die gezamenlijk hun ouderlijk gezag op de kinderen uitoefenen en die er gezamenlijk de hoede over hebben, hebben gevraagd dat de bijkomende belastingvrije sommen die verbonden zijn aan de aanwezigheid van kinderen ten laste, bepaald bij artikel 132 van het W.I.B./92 (artikel 132bis van het W.I.B./92) onder hen zouden worden verdeeld.

    2.- Wanneer de onderhoudsuitkering of het kapitaal dat zulke uitkering vervangt, wordt betaald met het oog op het onderhoud en de opvoeding van een kind, is het in principe dat kind dat belastbaar is. De uitkering of het kapitaal is immers een eigen inkomen van het kind, waarvan de ouders niet het wettelijke genot hebben. Het kind is er dus toe gehouden persoonlijk zijn inkomsten aan te geven en zal daarop worden belast. Het zal echter, net als iedere alleenstaande belastingplichtige, van belasting worden vrijgesteld voor het gedeelte van het inkomen dat niet groter is dan 4.095 EUR (artikel 131 van het W.I.B./92 - geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2002: 5,350,00 EUR ).

    In dit opzicht mag niet uit het oog worden verloren dat het ontvangen van een eigen inkomen door het kind, voor dat kind tot gevolg kan hebben dat het niet langer als fiscaal "ten laste" wordt beschouwd (de aanwezigheid van personen ten laste verhoogt het van belasting vrijgestelde gedeelte van de belastingplichtige - artikel 132 van het W.I.B./92).

    Opdat een kind "ten laste" is, moeten immers verscheidene voorwaarden zijn vervuld (artikel 136 van het W.I.B./92) :

    • het kind moet deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige(n) op 1 januari van het aanslagjaar;
    • het mag geen bezoldigingen hebben genoten die voor de uitkeringsplichtige beroepskosten vormen (artikel 145 van het W.I.B./92) ;
    • het mag in het belastbare tijdperk persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 1.500 EUR netto bedragen (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2002: 1.960 EUR) indien het ten laste van echtgenoten is, meer dan 2,600,00 EUR (ingevoerd bij de wet van 10 augustus 2001 met van krachtwording voor het aanslagjaar 2002 - geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2002: 3.390,00 EUR) indien het ten laste is van een afzonderlijke belaste belastingplichtige, en meer dan 3.000,00 EUR (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2002: 3.920,00 EUR) indien het een kind betreft dat als gehandicapt wordt aangemerkt en dat ten laste is van een afzonderlijk belaste belastingplichtige.

      Een wetsontwerp dat recentelijk door de Kamer in plenaire zitting werd goedgekeurd en naar de Senaat werd doorgestuurd, bevat een bepaling waardoor de toegestane nettobestaansmiddelen van de personen ten laste vanaf het aanslagjaar 2003 worden verhoogd (cf. Parl. Besch., Kamer, gew. zitt. 2001-2002, nr. 1558/6, geciteerd door Fiskoloog, nr. 849, blz. 1-2, ). Het algemene plafond van 1.500 EUR wordt opgetrokken tot 1.800 EUR (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2003: 2.410 EUR). Het speciale plafond voor gehandicapte kinderen die ten laste van een alleenstaande zijn, wordt verhoogd tot 3.300 EUR (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2003: 4.420,00 EUR). Het speciale plafond voor niet-gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een afzonderlijke belaste belastingplichtige wordt niet gewijzigd en blijft dus vastgesteld op 2.600 EUR (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2003: 3,480,00 EUR).

      De wet van 10 augustus 2001 "houdende hervorming van de belasting van de natuurlijke personen" (bekendgemaakt in het B.S. van 20 september 2001, blz. 31.516 e.v.) had bovendien artikel 143 van het W.I.B./92 aangevuld, dat voortaan bepaalt dat om het nettobedrag te bepalen van de bestaansmiddelen van de persoon ten laste met ingang van het aanslagjaar 2002, de onderhoudsuitkeringen worden afgetrokken, bedoeld in artikel 90, 3° van het W.I.B./92, die aan de kinderen worden toegekend tot 1.800 EUR per jaar. Opgemerkt dient te worden, dat deze laatste maatregel alle kinderen betreft, ongeacht of zij ten laste zijn van gehuwde ouders dan wel van afzonderlijk belaste belastingplichtigen. De onderhoudsuitkeringen die verschuldigd zijn maar die laattijdig worden betaald (achterstallen), zonder tussenkomst van een rechter, vormen geen belastbare diverse inkomsten (de voorwaarde inzake de "regelmaat" is niet vervuld - cf. infra) en worden beschouwd als bestaansmiddelen.

      Hoe moet dit bedrag van 1.800,00 EUR worden geïndexeerd? Onlogisch genoeg had de wetgever de laagste coëfficiënt in aanmerking genomen, dat wil zeggen rekening houdend met de blokkering van de indexering in de loop van de jaren negentig (cf. Fiskoloog, nr. 819, blz. 4 en nr. 836, blz. 7). In een bericht dat werd gepubliceerd op de website van het Ministerie (cf. Fiskoloog, nr. 841, blz. 2), heeft de minister van Financiën echter beslist dat de hoogste indexeringscoëfficiënt zal worden toegepast, die geen rekening houdt met deze blokkering van de indexering. Het recente wetsontwerp waarover wij het hiervoor al hadden bevestigt dit standpunt, waarbij het geïndexeerde bedrag gelijk is aan 2.350 EUR voor het aanslagjaar 2002 en aan 2.410 EUR voor het aanslagjaar 2003.

      Indien de uitkeringsplichtige de onderhoudsuitkering die, of het kapitaal dat zulke uitkering vervangt, dat hij aan het kind betaalt, voor 80% wil aftrekken van zijn belastbare inkomsten zou de ouder die het kind onder zijn hoede heeft tenslotte het voordeel kunnen verliezen, dat verbonden is aan de aanwezigheid in zijn gezin van een kind dat fiscaal als "ten laste" wordt beschouwd, ook al is dit risico voortaan in ruime mate afgezwakt door de wet van 10 augustus 2001 en door het voornoemde wetsontwerp.

    • 3.- Nadat wij de voornaamste aanslagprincipes in herinnering hebben gebracht, willen wij binnen het beperkte kader van deze commentaar nog summier de voorwaarden toelichten die moeten zijn vervuld opdat de uitkeringsplichtige de uitkeringen of kapitalen zou kunnen aftrekken. Voorts dient te worden onderstreept dat de onderstaande opmerkingen de materie zeker niet exhaustief behandelen.

      Verscheidene voorwaarden moeten tegelijk zijn vervuld:

        a) De uitkering of het kapitaal moet worden betaald of toegekend ter uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit de artikelen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld bij artikel 104, 1° van het W.I.B./92.
        b) De uitkeringsgerechtigde mag geen deel uitmaken van het gezin van de uitkeringsplichtige.
        c) Indien het een uitkering betreft, moet die geregeld worden betaald of toegekend.
        d) De betaling van de uitkering of van het kapitaal moet worden bewezen aan de hand van bewijsstukken.
        e) Een voorwaarde die door de Administratie werd toegevoegd aan de tekst: de uitkeringsgerechtigde moet zich in een "staat van behoefte" bevinden.

      B. 1 ste voorwaarde voor de aftrekbaarheid: de uitkering of het kapitaal moet worden betaald of toegekend ter uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit de artikelen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld bij artikel 104, 1° van het W.I.B./92

      4.- De onderhoudsuitkering of het kapitaal dat zulke uitkering vervangt , moet noodzakelijk worden betaald ter uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit de artikelen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek, die beperkend zijn opgesomd in artikel 104, 1° van het W.I.B./92. De uitkering die wordt betaald bij wijze van schenking is niet aftrekbaar (cf. Brussel, 31 oktober 1989, Courr. Fisc., 1990, blz. 221; Gent, 12 januari 1995, Fiskoloog, nr. 518, blz. 11). Hier worden de veronderstellingen beoogd waarin een uitkering of een kapitaal verschuldigd is tussen bloed- en aanverwanten (levensonderhoud), tussen echtgenoten tijdens de echtscheidingsprocedure of tijdens de procedure van scheiding van tafel en bed, na de echtscheiding of na de scheiding van tafel en bed, of in het kader van de vaststelling van een afstamming, een adoptie of een officieuze voogdij.

      Een Belgische Rijksinwoner die een onderhoudsuitkering verschuldigd is krachtens een buitenlandse wetsbepaling kan eveneens om de aftrek ervan verzoeken (tot 80%), op voorwaarde dat deze bepaling kan worden gelijkgesteld met een bepaling van het Belgische Burgerlijk Wetboek of van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek (cf. Com.I.B./92, nr. 104/7; Gent 22 november 1988, F.J.F., 89/129; Brussel, 7 november 1989, F.J.F., 90/109; Antwerpen, 17 maart 1992, F.J.F., 92/138).

      De uitkeringen die niet rechtstreeks aan de uitkeringsgerechtigde worden betaald maar aan een O.C.M.W. of aan een verzorgingsinstelling blijven aftrekbaar (cf. Com.I.B./92, nr. 104/12 en gecit. ref.). Zij dekken immers de behoeften van personen die afhangen van een O.C.M.W. of die in een verzorgingsinstelling zijn geplaatst.

    • 5.- De uitkeringen in natura (bijvoorbeeld de beschikbaarstelling van huisvesting, het verstrekken van maaltijden, kleding, verwarming, de rechtstreekse tenlasteneming van uitgaven die eigen zijn aan de uitkeringsgerechtigde, …) zijn eveneens aftrekbaar als onderhoudsuitkeringen (cf. in die zin, Com.I.B./92, nr. 104/53 tot 104/56; J-F. LYCOPS, "Le mariage et le fisc", R.G.F., 1986, blz. 68; P. TIMBAL, "Les rentes alimentaires pendant la séparation de fait", R.G.F., 1989, blz.74; N.PIROTTE en J-P. BOURS, "Les aspects fiscaux du divorce par consentement mutuel", in Divorce par consentement mutuel - La réforme de la réforme 1997, Form. Perm. C.U.P., Vol. XXII, maart 1998, blz. 126; Gent, 18 januari 1996, Fiskoloog¸ nr. 554, blz. 10).

      De uitkering in natura die bestaat in de gratis ter beschikking stellen van een gebouw, kan worden geraamd op het jaarlijkse bedrag van de huur die de uitkeringsplichtige voor het gebouw had kunnen opstrijken indien hij het aan een derde had verhuurd (cf. Com.I.B./92, nr. 104/54; Luik, 19 juni 1975, Bull. Dir. Bel., 1977, blz. 298).

      Men moet echter opmerken dat de aftrekbaarheid van het voordeel dat voortvloeit uit de beschikbaarstelling van het gebouw dat de gezinswoning vormt, aanleiding geeft tot hevige controverses waarbij bepaalde auteurs en bepaalde gerechtelijke beslissingen de weigering van elke aftrek baseren op het bestaan van een ondeelbaar recht voor elk van de echtgenoten om de gezinwoning te bewonen (cf. in die zin, Com.I.B./92, nr. 104/55). Zij zijn echter van mening dat geval per geval moet worden onderzocht of de gratis beschikbaarstelling van het gebouw geen onderhoudsuitkering vormt (cf. in die zin, Brussel, 8 maart 2002, Fiskoloog, nr. 842, blz. 11: de feitelijk gescheiden echtgenote had het recht verkregen de gezinswoning te blijven bewonen, zonder te moeten bijdragen in de aflossing van de hypothecaire lening; Luik, 13 september 2001, Fiskoloog, nr. 834, blz. 13: de echtgenote bewoont het gemeenschappelijke gebouw en haalt daar bepaalde inkomsten uit; Brussel, 23 juni 2000, Fiskoloog, nr. 767, blz. 7: de echtgenoot genoot geen enkele vergoeding voor de gratis beschikbaarstelling van het gebouw. Contra, Gent, 6 september 2001, Fiskoloog, nr. 823, blz. 12; Antwerpen, 28 november 2000, Fiskoloog, nr. 780, blz. 2). Deze laatste discussie valt echter buiten het beperkte kader van deze commentaar.

    • C. 2 de voorwaarde voor de aftrekbaarheid: De uitkeringsgerechtigde mag geen deel uitmaken van het gezin van de uitkeringsplichtige

      6.- Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet het woord "gezin" worden geïnterpreteerd in zijn gebruikelijke betekenis, "een feitelijke toestand die wordt gekenmerkt door een huishoudelijke levensgemeenschap en met name een woongemeenschap, zonder tijdelijke onderbrekingen uit te sluiten (cf. Cass. 5 mei 1977, Bull. Dir. Bel., nr. 573, blz.. 734, J.D.F., 1980, blz. 27; Cass., 17 september 1982, J.T., 1984, blz. 137).

      Er moet geen rekening worden gehouden met abstracte overwegingen, die op zich niet relevant zijn, zoals gewoon de inschrijving in het bevolkingsregister, de niet-vermelding van het kind als persoon ten laste in de belastingaangifte van de uitkeringsplichtige, of zelfs de aangifte van de uitkering of van het kapitaal door de uitkeringsgerechtigde, maar wel degelijk met een reeks omstandigheden die eigen zijn aan elk bijzonder geval. In wezen komt het erop aan te kunnen aantonen dat de uitkeringsgerechtigde het gezin heeft verlaten, met de bedoeling een eigen gezin te stichten.

      Omgekeerd impliceert het feit dat men wettelijk gedomicilieerd is op hetzelfde adres niet ipso facto een weigering van de aftrek van de uitkering of van het kapitaal dat zulke uitkering vervangt. De situatie moet geval per geval worden onderzocht. Het feit dat men elders samenwoont met een ander persoon, het type van gebruikte woning en/of een aangifte van wijziging van woonplaats vormen bijgevolg gegevens waarmee rekening moet worden gehouden om vast te stellen of er al dan niet een afzonderlijk gezin is gesticht (cf. Com.I.B./92, nr. 104/15).

      De Administratie weigert de aftrek van de onderhoudsuitkeringen die door een van de echtgenoten aan de andere worden betaald tijdens het jaar van de feitelijke scheiding en zij baseert haar redenering op de collectieve aanslag van de inkomsten van de echtgenoten, die tijdens het jaar van de feitelijke scheiding nog geacht worden een gezin te vormen, krachtens artikel 128, lid 1, 2° van het W.I.B./92 (cf. Com.I.B./92, nr. 104/18). De sommen die worden betaald aan de kinderen waarmee de belastingplichtige tijdens diezelfde periode niet meer samenwoont, blijven toch aftrekbaar tot 80% (cf. Com.I.B./92, nr. 104/17).

      Op welk ogenblik moet de omstandigheid van een afzonderlijk gezin worden beoordeeld? Op 1 januari van het desbetreffende aanslagjaar of op het ogenblik dat de onderhoudsuitkering wordt betaald? Deze laatste kwestie is omstreden. De Administratieve commentaar schrijft echter voor dat deze omstandigheid moet worden beoordeeld op het ogenblik dat de uitkering wordt betaald, en niet op 1 januari, zoals dat het geval is om als ten laste van de belastingplichtige te worden aangemerkt. (cf. Com.I.B./92, nr. 104/13). Wij menen hier de administratieve analyse te moeten bijtreden.

    • 7.- Het verbod deel uit te maken van het gezin van de uitkeringsplichtige heeft aanleiding gegeven tot een overvloedige rechtspraak in de gevallen waarin de uitkeringsbegunstigde een studerend kind is dat in een appartement verblijft of op kot is.

      Het gaat erom uit te maken of de scheiding als definitief kan worden beschouwd, dan wel of zij duidelijk tijdelijk is. De aftrekbaarheid impliceert dat het kind een financiële, psychologische en sociale onafhankelijkheid kan genieten, waarbij stappen zijn gedaan met de bedoeling zijn administratieve situatie aan te passen aan zijn nieuwe levensrealiteit (cf. Com.I.B./92, nr. 104/14; Luik, 20 november 1991, F.J.F., 92/201; Luik, 8 mei 1991, F.J.F., 91/131; Luik, 19 december 1990, F.J.F., 92/201). Volgens de Administratieve commentaar (cf. Com.I.B./92, nr. 104/14), geldt de belasting van de uitkering in hoofde van het kind niet als een erkenning door de Administratie van het feit dat het kind niet langer deel uitmaakt van het gezin van zijn ouders.

      De scheiding werd als definitief beoordeeld en gaf dus recht op de aftrekbaarheid in de volgende veronderstellingen, met dien verstande dat doorgaans wordt geëist dat verscheidene criteria tegelijk vervuld zijn: het kind is tijdens zijn studies gehuwd of leeft uit financieel oogpunt autonoom samen; de betrekkingen tussen de ouders en het kind zijn verslechterd; het kind heeft een gebouw gekocht; het is houder van eigen bankrekeningen en staat in voor de betaling van zijn huur en van de ziekenfondsbijdragen; het is administratief elders gedomicilieerd en woonachtig dan bij de ouders; het kind woont veraf ten gevolge van de uitoefening van een eerste baan … (Brussel, 25 juni 1998, Fiskoloog, nr. 677, blz. 10; Luik, 4 juni 1997, F.J.F., nr. 97/221; voor enkele voorbeelden, cf. J-P BOURS en N.PIROTTE, "Les aspects fiscaux du divorce par consentement mutuel", oblz. cit., blz. 120).

    • D. 3 de voorwaarde voor de aftrekbaarheid: Indien het een uitkering betreft, moet die geregeld worden betaald of toegekend

      8.- De niet-gekapitaliseerde onderhoudsuitkeringen moeten "geregeld" worden betaald, dat wil zeggen periodiek, met regelmatige tussenpozen. De periodiciteit moet niet absoluut zijn, en zij kan bestaan uit stipte betalingen die worden herhaald volgens bepaalde omstandigheden (cf. Com.I.B./92, nr. 104/20).

      Een jaarlijkse periodiciteit is niet uitgesloten (cf. Brussel, 28 juni 1985, J.D.F., 1986, blz. 58; Bergen, 1 juni 1989, F.J.F., nr. 89/175; Luik, 8 januari 1992, F.J.F., nr. 92/72). Het is niet noodzakelijk dat het bedrag van de gedane betalingen stelselmatig gelijk is (cf. Luik, 25 juni 1997, F.J.F., nr. 98/76; Antwerpen, 16 december 1997, Act. Fisc., 21 januari 1998, blz. 3-4; Luik, 6 januari 1988, F.J.F., nr. 88/116).

      Volgens de Administratieve commentaar wordt een "lichte vertraging" in de vereffening van de sommen geduld, waarbij de uitkering geacht wordt geregeld te worden betaald wanneer de datum van de betaling niet meer dan drie maanden na het begin van de maand valt, waarop zij betrekking heeft (cf. Com.I.B./92, nr. 104/21). Wanneer de uitbetaalde sommen duidelijk achterstallige onderhoudsuitkeringen blijken te zijn, onder meer omdat zij betrekking hebben op een lange periode of omdat de schuldenaar ervan ze stelselmatig met veel vertraging betaalt, zal de Administratie de aftrekbaarheid ervan weigeren in hoofde van de uitkeringsplichtige (cf. Com.I.B./92, nr. 104/34; Antwerpen 23 oktober 2001, geciteerd door B. MARISCAL, "Déclaration à l'I.P.P.: l'actualité fiscale 2001", Compt. et Fisc. Prat., 2002, blz. 310). Deze sommen zullen trouwens niet belastbaar zijn in hoofde van de begunstigde ervan (cf. Com.I.B./92, nr. 90/25).

      De voorwaarde inzake de regelmaat is eveneens van toepassing op de onderhoudsuitkeringen in natura, voor zover de onderhoudsuitkeringen een periodiek karakter vertonen. Bijgevolg aanvaardt de Administratie dat deze voorwaarde niet geldt voor de onderhoudsuitkeringen in natura die niet periodiek zijn (cf. Com.I.B./92, nr. 104/39 dat de beschikbaarstelling van een gebouw, de betaling van de belastingen of van een stookoliefactuur aanhaalt). Het blijft echter een feit dat de sommen die door de ouders in eenmaal aan hun kinderen worden betaald, hetzij als geschenk, hetzij als bijdrage in de kosten ter gelegenheid van een uitzonderlijke gebeurtenis (huwelijk, geboorte, plechtige communie enz.) niet als onderhoudsuitkeringen kunnen worden aangemerkt (cf. Com.I.B./92, nr. 104/40).

    • 9.- Van deze voorwaarde inzake de geregelde betaling van de onderhoudsuitkeringen wordt afgeweken wat de uitkeringen betreft die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben worden betaald ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, waarbij het bedrag ervan "met terugwerkende kracht" wordt vastgesteld of verhoogd (artikel 104, 2° van het W.I.B./92). Een administratieve circulaire bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling (cf. Ci.D. 19/431.407, 17 februari 1993, Bull. Dir. Bel., nr. 726, blz. 747; zie ook, J-E. BEERNAERT, "Taxation des arriérés de rentes alimentaires", R.G.F., 1996, nr. 1, blz. 12 e.v.).

      Het moet gaan om een gerechtelijke beslissing; niet om een overeenkomst tussen partijen, behalve indien zij door een gerechtelijke beslissing wordt bevestigd (cf. Com.I.B./92, nr. 104/25). Deze beslissing moet de uitkering voor het eerst vaststellen of ze verhogen, met dien verstande dat het oorspronkelijke bedrag niet noodzakelijkerwijs in rechte moet zijn vastgesteld.

      Krachtens artikel 104, 2° van het W.I.B./92 moet de onderhoudsuitkering die bij gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht is vastgesteld of verhoogd, in principe worden betaald in de loop van een belastbaar tijdperk dat valt na datgene waarop zij betrekking heeft (cf. Com.I.B./92, nr. 104/30). De Administratie aanvaardt echter de aftrek van de uitkeringen betreffende het belastbare tijdperk in de loop waarvan de betaling is gebeurd (cf. Com.I.B./92, nr. 104/31).

      De begunstigde van een uitkering, bedoeld in artikel 104, 2° van het W.I.B./92 is belastbaar tegen het tarief met betrekking tot het geheel van zijn andere belastbare inkomsten (artikelen 90, 4° en 171, 6° van het W.I.B./92). De achterstallige onderhoudsuitkeringen (die welke worden betaald na het belastbare tijdperk waarop de onderhoudsuitkeringen betrekking hebben) worden bovendien niet in aanmerking genomen om het nettobedrag te bepalen van de bestaansmiddelen van de personen die als "ten laste" van de belastingplichtige kunnen worden aangemerkt (cf. artikel 143, 5° van het W.I.B./92).

      Tenslotte dient opgemerkt te worden, dat de gerechtelijke interesten betreffende onderhoudsuitkeringen of met betrekking tot achterstallige onderhoudsuitkeringen niet belastbaar zijn in hoofde van de uitkeringsbegunstigde (cf. Com.I.B./92, nr. 90/25.1). Ze zijn evenmin aftrekbaar in hoofde van de uitkeringsplichtige (cf. Com.I.B./92, nr. 104/57)

    • .

      10.- De voorwaarde inzake de regelmaat is per definitie niet van toepassing op de betaling van een kapitaal dat door de uitkeringsplichtige in eenmaal wordt gedaan. Laatstgenoemde zal onmiddellijk 80% van het toegekende kapitaal kunnen aftrekken.

      De belastbare grondslag van de uitkeringsbegunstigde werd derwijze vastgesteld dat de negatieve gevolgen van de progressiviteit van de belasting worden afgezwakt. Krachtens artikel 170 van het W.I.B./92 zal de uitkeringsbegunstigde elk jaar en tot bij zijn overlijden worden belast op 80% van de jaarrente die vervangen wordt door het kapitaal. Het bedrag van de jaarrente wordt vastgesteld door op het kapitaal een van de omrekeningscoëfficiënten toe te passen, bepaald bij artikel 169, § 1 van het W.I.B./92, met referte aan het betaalde kapitaal en aan de leeftijd van de begunstigde ervan. Die 80% van het bedrag van de jaarrente wordt dan voor elk van de belastbare tijdperken samen met de andere inkomsten belast.

      De methode van betaling die bestaat in de toekenning van een eenmalig kapitaal bij wijze van onderhoudsuitkering vertoont twee nadelen. Enerzijds wordt de uitkeringsbegunstigde belast op de roerende inkomsten uit het kapitaal. Anderzijds, en dit is wel het grootste nadeel, is het kapitaal in hoofde van de uitkeringsplichtige maar in eenmaal aftrekbaar voor zover het niet groter is dan het bedrag van zijn inkomsten over het jaar. De Administratieve commentaar (cf. Com.I.B./92, nr. 104/60) bepaalt immers dat geen enkele overbrenging van een negatief resultaat mag gebeuren op de inkomsten van de jaren nadien.

    • E. 4 de voorwaarde voor de aftrekbaarheid: de betaling van de uitkering of van het kapitaal moet worden bewezen aan de hand van bewijsstukken

      11.- De betalingen en de bestemming ervan moeten kunnen worden aangetoond aan de hand van bewijsstukken, waarbij de beste betalingswijze natuurlijk die van de bankoverschrijving of -storting is.

      Wanneer het een periodieke uitkering betreft, aanvaardt de Administratie dat de documenten die de verplichting van een onderhoudsuitkering aantonen, niet elk jaar worden overgelegd. Zij eist achteraf geen bewijsstukken meer wanneer de documenten één keer zijn ingediend, behalve in geval de betrokkene van bedrog wordt verdacht (cf. Com.I.B./92, nr. 104/41).

      Hoewel de aftrekbaarheid voordien door de Administratie werd aanvaard zonder dat zij bewijsstukken eiste, is het toch niet uitgesloten dat zij een ander standpunt gaat innemen, waardoor de belastingplichtige in een delicate positie komt te staan wat het bewijs betreft dat moet worden geleverd voor het belastbare tijdperk dat het voorwerp is van de controle. De belastingplichtige zou natuurlijk kunnen proberen zich te beroepen op de beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder op de beginselen van vertrouwen (fair-play) en van rechtszekerheid, maar er is geen enkele garantie dat de Hoven en Rechtbanken een middel dat gebaseerd is op die beginselen in aanmerking zullen nemen (cf. in het voordeel van de belastingplichtige, Antwerpen, 3 april 1995, F.J.F., nr. 95/146).

    • F. 5 de voorwaarde voor de aftrekbaarheid die door de Administratie is toegevoegd: de uitkeringsgerechtigde moet zich in een "staat van behoefte" bevinden

      12.- De Administratieve commentaar voegt aan de wettelijke voorschriften een voorwaarde toe; opdat de onderhoudsuitkering aftrekbaar zou zijn, moet de begunstigde ervan zich in een "staat van behoefte" bevinden, zoniet moet de betaalde som worden aangemerkt als een gift (cf. Com.I.B./92, nr. 104/42-43). Deze bijkomende voorwaarde is ingegeven door het verlangen van de Administratie de belastingontduiking te bestrijden, waarbij de belastingdiensten worden verzocht elk misbruik te beteugelen, zelfs indien het strikt genomen niet "klaarblijkelijk" of "duidelijk gekenmerkt" is (cf. Com.I.B./92, nr. 104/58; in die zin Luik, 14 juni 1996, J.D.F., 1996, blz. 364, en noot van J. NEMERY DE BELLEVAUX; Gent, 24 september 1992, Bull. Dir. Bel., 1994, blz. 1449).

      De staat van behoefte is in hoofdzaak een feitelijke kwestie. Hij moet niet absoluut zijn. Het betreft integendeel een relatief begrip. Bijgevolg moet rekening worden gehouden met de normale levensomstandigheden die de uitkeringsgerechtigde genoot wegens zijn opvoeding of zijn maatschappelijke situatie. De behoeften van diegene die om een onderhoudsuitkering verzoekt, zijn afhankelijk van zijn leeftijd, van zijn gezondheidstoestand, van zijn gezinslasten, van zijn maatschappelijk milieu (cf. Com.I.B./92, nr. 104/44-45, nr. 104/59; in die zin, Antwerpen, 22 oktober 1990, Bull. Dir. Bel., 1992, blz. 3221).

      De situatie van behoefe moet onvrijwillig zijn en mag niet het gevolg zijn van een gewild nietsdoen. Er zal rekening worden gehouden met de mogelijkheden die de uitkeringsgerechtigde niet heeft benut: het werk dat hij niet wil verrichten, de goederen die hij niet wil verkopen, … (cf. Com.I.B./92, nr. 104/44-46; Brussel, 1 april 1999, Fiskoloog, nr. 710, blz. 12; Gent, 2 maart 1999, Cour. Fisc., 1999/317 die de aftrekbaarheid verwerpen van de uitkering die door de ouders wordt betaald).

      Er dient te worden onderstreept dat volgens de Administratieve commentaar (cf. Com.I.B./92, nr. 104/59) niet moet worden nagegaan en beoordeeld of de begunstigde zich werkelijk in een staat van behoefte bevindt, wanneer het bedrag van de uitkering bij gerechtelijke beslissing is vastgesteld.

    • 13.- Aangezien het fiscaal recht strikt moet worden geïnterpreteerd, lijkt het ons aanvechtbaar om aan de aftrekbaarheid van de onderhoudsuitkeringen die uitdrukkelijk zijn bepaald in artikel 104, 1° en 2° van het W.I.B./92 stelselmatig een bijkomende voorwaarde toe te voegen, die verband houdt met de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek die door dit artikel worden beoogd, veronderstellen immers niet noodzakelijkerwijs een dergelijke staat van behoefte.

      Zo bepaalt artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek dat beoogd wordt door artikel 104, 1°-2° van het W.I.B./92 de verschillende punten die bij geschrift moeten worden vastgelegd in een overeenkomst inzake een echtscheiding door onderlinge toestemming. De alimentatie tussen echtgenoten is louter contractueel, zodat zij tot het domein van de wilsautonomie behoort. Dit beginsel werd geregeld bevestigd door het Hof van cassatie (cf. Cass., 5 juni 1986, Pas., 1986, I, blz. 1221; Cass., 4 november 1976, J.T., 1977, blz. 150): de overeenkomst die wordt afgesloten op grond van artikel 1288, 4° van het Gerechtelijk Wetboek vormt geen wettelijke alimentatieschuld en zij is enkel onderworpen aan de regels betreffende de burgerlijke overeenkomsten.

      De onderhoudsuitkering die voortvloeit uit een overeenkomst inzake een echtscheiding door onderlinge toestemming kan bijgevolg niet worden beschouwd als een vergoedingsverplichting, noch als een wettelijke alimentatieverplichting (cf. in die zin, N. HUSTIN-DENIES, "Divorce par consentement mutuel : le règlement des effets personnels", in Divorce - Commentaire pratique, Kluwer, nr. VII.2.3., 3.8 en 3.9). Zij is wezenlijk verbonden met de wil van de partijen en ontsnapt aan elke gerechtelijke controle, zodat geen rekening moet worden gehouden met de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde.

    • Besluit

      14.- De problematiek van de aftrekbaarheid van de onderhoudsuitkeringen en van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen is vrij complex, aangezien zij zich situeert op het kruispunt van het burgerlijk recht en van het fiscaal recht.

      Er moet nauwgezet worden toegezien op de naleving van de voorwaarden die wij uitvoerig hebben beschreven, aangezien de Administratie zich hoe langer hoe strenger opstelt bij het aanvaarden van de aftrek, vooral dan wanneer de inkomsten van de uitkeringsplichtige heel hoog zijn in vergelijking met die van de uitkeringsgerechtigde.

      ***

      Document aangepast op : 11/08/2005

    Alimentatie is (soms) fiscaal aftrekbaar

    Echtscheidingen zijn voor kinderen vaak erg ingrijpend, maar ook fiscaal heeft het uiteenvallen van een gezin consequenties. Zo mag de ouder die alimentatiegeld ophoest, dat bedrag fiscaal inbrengen. Maar niet altijd,zo blijkt.

     

    Om het onderhoudsgeld fiscaal in mindering te kunnen brengen, moet aan enkele voorwaarden voldaan worden. De belangrijkste is dat de kinderen en de ouders niet meer tot hetzelfde gezin behoren. In dat geval kan de ouder de werkelijk betaalde uitkeringen fiscaal aftrekken. Maar de ouder die de uitkeringen fiscaal aftrekt, kan de kinderen niet ten laste nemen.

    Voor gescheiden koppels die gekozen hebben voor co-ouderschap, gaat deze regeling niet op.

    Bij co-ouderschap blijven de kinderen in de ogen van de fiscus behoren tot hetzelfde gezin en kan het alimentatiegeld niet afgetrokken worden. Wel kunnen de gescheiden ouders de belastingvrije som, waarop de kinderen recht geven, onder elkaar verdelen. Het is aan te raden om even te laten berekenen welke oplossing fiscaal het voordeligst is. Zo is het soms voordeliger kinderen ten laste te nemen van de ouder met het hoogste beroepsinkomen en de belastingbesparing nadien te verdelen via een onderlinge overeenkomst.

    REGELMATIG BETALEN

    Om onderhoudsgeld af te trekken, moet de ouder de uitkeringen met de regelmaat van de klok betalen. Om excessen te vermijden, heeft de fiscus daarop een tijdsspanne geplakt. Zo moeten de uitkeringen betaald worden binnen de drie maanden na het begin van de maand waarop de uitkering betrekking heeft.

    Wie zich niet houdt aan die termijn, kan die betalingen ook niet aftrekken. Ook de eenmalige betaling van achterstallig onderhoudsgeld verdient in de ogen van de fiscus geen genade.

    Extra uitkeringen voor onder meer communie of huwelijken of kledij worden ook niet aanvaard als aftrek.

    Bij de aangifte van het onderhoudgeld moet de ouder het volledige en werkelijk betaalde bedrag aangeven (code 1390 of 2390). Om die uitkeringen te bewijzen, volstaat een attest van de ontvanger of rekeninguittreksels. Overigens zal de fiscus bij de eindafrekening slechts 80% van de uitkeringen in rekening brengen.

    EIGEN AANGIFTE

    Het betalen van onderhoudsgeld heeft ook fiscale consequenties voor de kinderen. Want de fiscus beschouwt die betalingen als 'belastbare inkomsten', waarop eventueel belastingen betaald moeten worden. Dat betekent dat de kinderen, ongeacht of ze minderjarig zijn of niet, die inkomsten moeten aangeven in een afzonderlijke aangifte. Het aangifteformuliermoet men zelf afhalen bij de fiscus.

    Overigens is het verre van zeker dat de kinderen belastingen zullen moeten betalen. Enerzijds houdt de fiscus ook in dit geval slechts rekening met 80% van de ontvangen uitkeringen, anderzijds blijven de inkomsten onbelast als ze lager dan de belastingvrije som (5.940 euro) zijn.

    Opvang kinderen zorgt voor belastingvermindering

    De opvangkosten voor kinderen zijn in principe fiscaal aftrekbaar. Er moet echter wel rekening gehouden worden met enkele randvoorwaarden.

    Zo moeten de kinderen jonger zijn dan twaalf jaar. Voor oudere kinderen zijn de kosten niet meer aftrekbaar. Bovendien moet het kinderdagverblijf of het opvanggezin erkend zijn door Kind&Gezin of

    door de lokale besturen. Welke kosten komen in aanmerking? Alle opvangkosten. Zo ook als de school voor een eigen opvang (voor, tijdens of na de lesuren) zorgt. Ook kosten voor jeugdkampen en speelpleinwerking komen in aanmerking voor fiscale vermindering.

    Het aftrekbare bedrag is wel beperkt tot 11,20 euro per dág en per kind. Het totale bedrag (rekening houdend met dat

    plafond) is aftrekbaar. Als uw kind 150 dagen bij een opvangmoeder blijft, dan mag u maximaal 1.680 euro inbrengen.

    Nog dit: voor kinderenjonger dan drie jaar krijgt u een verhoging van de belastingvrije som. Maar die verhoging is niet te combineren met de aftrek van de opvangkosten. Het is dus aan te raden te (laten) berekenen wat voor uw gezin het voordeligst is.

    Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap