FISCALITEIT - AANGIFTE JAAR

I PUBLICATIES I AANSLAGJAAR 2006 I

Aangifte 2006

I Pagina1 I Pagina 2 I Pagina 3 I

2.1. INKOMSTENBELASTINGEN

De Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen) is belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, die als volgt worden ingedeeld:

1. een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners: de personenbelasting (PB);

2. een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen: de vennootschapsbelasting (Ven.B);

3. een belasting op inkomsten van andere Belgische rechtspersonen dan vennootschappen: de rechtspersonenbelasting (RPB)

4. een belasting op inkomsten van niet-inwoners: de belasting van niet-inwoners (BNI).

De Administratie van de invordering is belast met de inning van de voormelde belastingen

De belastingen worden geïnd door middel van voorheffingen, binnen bepaalde perken en onder bepaalde voorwaarden; er zijn drie voorheffingen, nl. de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, dit naargelang de geïnde belastingen betrekking hebben, ofwel op de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, ofwel op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen of op diverse inkomsten van roerende aard, ofwel op beroepsinkomsten en sommige andere diverse inkomsten.

Het aanslagjaar (aj.) begint in principe op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31 december. Evenwel kan de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op geldige wijze gevestigd worden tot 30 juni van het daarop volgende jaar (onverminderd bijkomende verlengingen door bijzondere wetten).

De voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige verkregen heeft in het belastbare tijdperk.

Voor de inkomstenbelasting geldt in principe een aanslagtermijn van drie jaar, vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Dit is het geval bij niet-aangifte, laattijdige aangifte of als er meer belasting verschuldigd is dan blijkt uit de aangifte. Deze aanslagtermijn wordt verlengd tot 5 jaar wanneer de belastingwetgeving overtreden werd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Er is sprake van bedrieglijk opzet wanneer de overtreding begaan wordt met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is een oogmerk om te schaden wanneer de overtreding begaan wordt met de bedoeling de rechtmatige belangen of de rechten van andere private of publieke personen te krenken. In beide gevallen moet de fiscus het bewijs leveren. Zelfs wanneer de buitengewone aanslagtermijnen van drie en vijf jaar verstreken zijn, kan de fiscus nog altijd belastingen of aanvullende belastingen vestigen ondermeer wanneer bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet zijn vermeld in een aangifte die ingediend moest worden tijdens één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens.

Vanaf 1 augustus 2006 geldt eveneens een langere aanslagtermijn bij inlichtingen in het buitenland. De verlenging geldt ook voor nog openstaande termijnen. De bezwaartermijn inzake directe belastingen wordt vanaf dezelfde datum verlengd tot 6 maand en geldt ook voor termijnen die op deze datum nog openstaan 1 .

Voortaan heeft de administratie de mogelijkheid om ondernemingen of beoefenaars van vrije beroepen die geen of een laattijdige aangifte doen, te belasten op basis van forfaitaire minima die door de Koning worden vastgelegd (afhankelijk van de sector en minimaal 9.500 EUR).

2.1.1. PERSONENBELASTING

2.1.1.1. Aan de belasting onderworpen personen.

De personenbelasting is verschuldigd door de Rijksinwoners. Rijksinwoners zijn de personen die in België hun domicilie of de zetel van hun fortuin hebben gevestigd.

Het domicilie is een feitelijke toestand gekenmerkt door het verblijf of het werkelijke wonen in het land; met "zetel van fortuin" wordt bedoeld, niet de plaats waar de goederen die het fortuin vormen gelegen zijn, doch wel de plaats waaruit de goederen die het fortuin vormen, worden beheerd, dus de plaats waar een persoon de zetel van zijn zaken of van zijn bezigheden heeft. Tot bewijs van het tegendeel worden alle natuurlijke personen die in het Rijksregister ingeschreven zijn geacht hun domicilie of de zetel van hun fortuin in België gevestigd te hebben. Wat de personen betreft die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen, moet de vestiging van de woonplaats of de zetel van het fortuin in België worden beoordeeld volgens de feitelijke omstandigheden. Sinds aanslagjaar 1995 wordt het domicilie van echtgenoten bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd. Het tijdelijk verlaten van het land houdt geen wijziging van domicilie in.

De gemeente waar de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar is gedomicilieerd is de " gemeente van aanslag " op basis waarvan het tarief van de aanvullende belastingen wordt vastgesteld.

Sinds 2004 is de manier waarop echtgenoten belast worden, grondig gewijzigd. De afzonderlijke belasting van de inkomens geldt als algemene regel maar de aanslag blijft gemeenschappelijk, waardoor de echtgenoten zowel het huwelijksquotiënt als de andere mogelijkheden tot inkomstentoekenning of vrijstelling tussen echtgenoten kunnen blijven genieten. Een andere fundamentele wijziging is de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten. Verderop zal de term “echtgenoot” dus ook gebruikt worden voor de “wettelijk

samenwonende”.Voor echtgenoten is de gemeenschappelijke aanslag de regel. Dat uit zich in de gemeenschappelijke aangifte. Een afzonderlijke aanslag, en dus ook een afzonderlijke aangifte, is echter van toepassing:

  • voor het jaar van het huwelijk of van de verklaring van wettelijke samenwoning,
  • voor het jaar van de scheiding of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning,
  • vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden tussen gehuwden of wettelijk samenwonenden, voorzover die scheiding in het volledige belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt.

Voor het jaar van overlijden mag gekozen worden tussen een gemeenschappelijke en een afzonderlijke aanslag. Die keuze zal gemaakt worden door de overlevende echtgenoot of door de erfgenamen indien beide echtgenoten overleden zijn. De keuze zal gebeuren bij de aangifte van de inkomsten.

Ingevolge de wet van 24 januari 1997 tot wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (BS van 6 maart 1997), werd het begrip referentieadres ingevoerd. Hieronder moet worden verstaan het adres van een natuurlijk persoon (de referentiepersoon) die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, en die zijn toestemming heeft gegeven aan een persoon zonder verblijfplaats om zich op dat adres te laten inschrijven. Ingeval van niet-betaling van de belasting is een uitvoerend beslag op de roerende goederen van de gerefereerde persoon op het referentieadres in principe aan de belastingontvangers afgeraden, maar toch blijft de belastingontvanger vrij om roerend beslag te leggen op de goederen van de gerefereerde persoon zodat het raadzaam is dat deze laatste veiligheidshalve de nodige bewijsstukken zou verzamelen zodat hij tegenover een eventueel optredende gerechtsdeurwaarder zijn eigendomstitel op zijn roerende goederen kan bewijzen.

De invordering van een belasting op de inkomsten van een feitelijk gescheiden echtgenoot mag slechts worden vervolgd en laste van de andere echtgenoot op voorwaarde dat een ingebrekestelling tot betaling is toegezonden aan de echtgenoot, op wiens inkomen de belasting is gevestigd. Er is ook beslist dat de belasting in verband met de persoonlijke inkomsten van één van de echtgenoten niet mag worden verhaald op eigen goederen van de ander echtgenoot (vanaf aanslagjaar 2000). 2 In dit verband geldt de voorwaarde dat de betrokkene het bewijs levert dat haar of zijn eigen goederen van onverdachte oorsprong zijn. De eigen goederen worden geacht onverdacht te zijn als:

  • hij of zij over de eigen goederen beschikte van voor het huwelijk;
  • de eigen goederen voortkomen van een erfenis of schenking door een andere persoon dan de echtgenoot of echtgenote;
  • hij of zij de eigen goederen heeft verkregen met inkomsten die voortkomen van de geërfde of geschonken goederen;
  • hij of zij de goederen verkregen heeft met inkomsten die op grond van het huwelijksvermogenstelsel als eigen kwalificeren.

Vanaf aanslagjaar 2002 kan in geval van feitelijke scheiding, de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot. Vroeger kon er bij de echtgenoot ingevorderd worden voor de inkomsten verworven tot de eigenlijke ontbinding van het huwelijk. Om de feitelijke scheiding te bewijzen volstaat het niet dat de echtgenoten ingeschreven zijn in verschillende gemeenten. De administratie kan hen vragen te bewijzen dat er sprake is van een duurzaam gescheiden leven. Toch kan de fiscus ook personen die niet de bedoeling hebben om hun relatie te beëindigen maar die wegens omstandigheden (vb. opneming in verzorgingstehuis) gescheiden leven, als alleenstaanden beschouwen.

Vanaf het aanslagjaar 2005 kan, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten, de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing die vanaf hetzelfde kalenderjaar op naam van één van hen wordt ingekohierd, niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of op de goederen die deze met dat inkomen heeft verworven 3 .

Met ingang van 1 januari 2005 4 kan de directeur van de belastingen onder bepaalde voorwaarden een onbeperkt uitstel verlenen aan de invordering van bepaalde belastingschulden. Het betreft de ten laste van de belastingschuldige gevestigde inkomstenbelastingen in hoofdsom, de belastingverhogingen, de boeten en interesten, met uitsluiting van de voorheffingen. De personenbelasting waartegen een bezwaarschrift is ingediend, de voorheffingen, de BTW, de verkeersbelasting,...Zijn eveneens uitgesloten: de belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude.

Ook BTW-plichtigen kunnen onbeperkt uitstel verkrijgen voor hun schulden inzake inkomstenbelastingen. Belastingschuldigen die zich schuldig gemaakt hebben aan fiscale fraude kunnen niet van deze maatregel genieten. Tegen de beslissing van de directeur kan een administratief beroep aangetekend worden bij een speciaal daartoe samengestelde commissie van directeurs. Het betreft een buitengewone gunstmaatregel, waarvan alleen natuurlijke personen kunnen genieten.

Om van de maatregel te kunnen genieten moet men:

  • "ongelukkig en te goeder trouw" zijn (concreet betekent dit dat men niet in staat is om op duurzame wijze zijn schulden te betalen en men het onvermogen niet heeft bewerkstelligd);
  • geen beslissing tot onbeperkt uitstel verkregen hebben binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek;
  • de voorwaarden, vermeld in de beslissing van de gewestelijke directeur invordering van de directe belastingen naleven, inzonderheid de betaling van een bepaald bedrag binnen een gestelde termijn.

Het verzoek (model: http://fiscus.fgov.be/interfainvnl/Vragen/PDF/verzoekschrift.pdf ) moet gemotiveerd zijn (vermogenssituatie,inkomsten en uitgaven) en bewijsstukken bevatten. Het wordt per aangetekende brief worden ingediend bij de Gewestelijke directeur invordering van de directe belastingen van de woonplaats. Er wordt nadien een ontvangstbewijs toegestuurd.

Binnen de zes maanden na de ontvangst van uw verzoek wordt per aangetekende brief een gemotiveerde beslissing toegezonden. Het onbeperkt uitstel is verkregen van zodra de voorwaarden, gesteld in de beslissing- inzonderheid de betaling van een bepaald bedrag binnen een welbepaalde termijn - zijn nageleefd. Vanaf de indiening van het verzoek tot het definitief worden van de beslissing worden alle vervolgingen opgeschort. Deze opschorting verhindert de ontvanger belast met de invordering van de belastingschuld evenwel niet de volgende maatregelen te nemen:

  • het betekenen van een dwangbevel om de verjaring te stuiten;
  • het inhouden van eventuele terugbetalingen;
  • bewarende beslagen leggen;
  • de wettelijke hypotheek inschrijven.

De beslissing wordt teniet gedaan wanneer men:

  • onjuiste informatie heeft verstrekt of zijn onvermogen heeft bewerkstelligd;
  • de in de beslissing vermelde voorwaarden niet naleeft.

Men kan binnen de maand vanaf de kennisgeving bij de Beroepscommissie inzake het onbeperkt uitstel van de invordering een beroep instellen op het volgende adres: Koning Albert II-laan 33 - bus 40 te 1030 Brussel. Deze Commissie doet uitspraak binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep. Deze gemotiveerde beslissing wordt de belastingplichtige ter kennis gebracht per aangetekende brief.

Elke som die op het gebied van de inkomstenbelasting en de BTW aan de belastingplichtige moet worden terugbetaald, kan automatisch worden aangewend ter voldoening van openstaande niet betwiste belastingschulden. Deze aanwendingsmogelijkheid geldt ook in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.

Zijn eveneens aan de personenbelasting onderworpen:

  • de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren, die in het buitenland geaccrediteerd zijn, alsmede hun inwonende gezinsleden.
  • de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, alsmede hun inwonende gezinsleden, daaronder niet begrepen consulaire ereambtenaren.
  • de andere ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat of van een van de staatkundige onderdelen daarvan of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden.

Zijn niet aan de personenbelasting onderworpen:

  • de buitenlandse diplomatieke ambtenaren en de consulaire beroepsambtenaren, die in België zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden;
  • op voorwaarde van wederkerigheid, de andere leden van buitenlandse diplomatieke zendingen en consulaire posten in België, alsmede hun inwonende gezinsleden, mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten of niet duurzaam verblijf houden in België;
  • op voorwaarde van wederkerigheid, de ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van vreemde Staten of van staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten of niet duurzaam verblijven in België en hun diensten niet verstrekken in het kader van enig handels- of nijverheidsbedrijf.

2.1.1.2. Grondslag van de belasting - Algemeenheden

De personenbelasting is voor het gehele jaar verschuldigd op de inkomsten die de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk in België en in het buitenland heeft behaald of verkregen (rekening houdend evenwel met de dubbelbelastingverdragen).Dit belastbare inkomen wordt gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen.

Het totale netto-inkomen is de som van de netto-inkomens van de volgende categorieën:

1. inkomen van onroerende goederen;

2. inkomen van roerende goederen en kapitalen;

3. beroepsinkomen;

4. divers inkomen.

2.1.1.3. Inkomen van onroerende goederen.

Met ingang van aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004):
- worden de onroerende inkomsten niet meer geglobaliseerd in hoofde van echtgenoot met de hoogste beroepsinkomsten maar worden ze belast op naam van de eigenaar ervan of worden ze verdeeld tussen de twee echtgenoten in het geval van gemeenschappelijke eigendom of onverdeeldheid. Dezelfde regel geldt voor de aftrekken van intresten en lasten;
- er is een compensatie tussen echtgenoten als een onroerend inkomen na aftrek negatief wordt;
- de woningaftrek wordt enkel toegekend aan de belastingplichtige die eigenaar is of verdeeld in functie van het gedeelte dat elk van de echtgenoten bezit. Hij wordt per echtgenoot toegekend en beperkt tot het KI van de woning van elke echtgenoot: dat betekent dat de enige aftrek van 4.020 EUR + 330 EUR voor de echtgenoot vervangen wordt door een aftrek van 4.020 EUR. De verhoging van 330 EUR per persoon ten laste wordt verdeeld zoals het kadastraal inkomen van de woning verdeeld is. Voor de toekenning van de verhoogde aftrek wordt de grens van 28.130 EUR per echtgenoot in aanmerking genomen;
- er is eveneens een compensatie tussen echtgenoten indien een negatief inkomen resulteert voor een van hen na de toekenning van de woningaftrek.

Met ingang van aanslagjaar 2006 (inkomsten van 2005) geldt, onder voorbehoud van een overgangsregeling, een volledige vrijstelling van het kadastraal inkomen van de eigen woning. De vrijstelling geldt onverminderd de heffing van de onroerende voorheffing, die voortaan niet meer verrekenbaar is.

a. Belastbaar bedrag

Het kadastraal inkomen (K.I.) is een belangrijk gegeven voor het bepalen van het inkomen van onroerende goederen; het wordt geacht het netto-inkomen van het onroerend goed te vertegenwoordigen tegen de prijs van het jaar dat bij de meest recente perequatie als referentie heeft gediend. Dat referentiejaar is 1975, maar sinds 1990 zijn de kadastrale inkomens geïndexeerd. De revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens bedraagt 3,45 % voor aanslagjaar 2005 (3,50 % voor aanslagjaar 2006 en 3,59 % voor aanslagjaar 2007) 5 . De indexeringscoëfficiënt voor kadastrale inkomens 1,3889 voor het inkomstenjaar 2005 en 1,4276 voor het inkomstenjaar 2006.

Wanneer in de loop van het jaar een nieuw KI wordt vastgesteld bij de eerste ingebruikname of wanneer een bestaand KI herschat wordt (bij voorbeeld wegens belangrijke werken), dan bestaat het nieuwe KI vanaf de eerste dag van de maand volgend op die ingebruikname of de beëindiging van de werken. Het KI wordt in dit geval in twaalfden opgesplitst waarbij de relevante twaalfden in de aangifte worden opgenomen.

Met ingang van 1 januari 2003 wordt het KI voor onroerende goederen (zowel gebouwen als gronden) die gerenoveerd werden, voor 6 jaar ongewijzigd, dus niet naar boven aangepast. De gebouwen hoeven geen 15 jaar oud te zijn. De bevriezing van het KI geldt overigens niet voor de onroerende voorheffing.

Het geïndexeerd kadastraal inkomen van de woning vormt in principe een belastbaar inkomen, maar in het algemeen wordt een (geïndexeerde) woningaftrek toegestaan.

Het belastbaar inkomen wordt bepaald in functie van de bestemming die aan het gebouw gegeven wordt:

  • het gebouw is het woonhuis van de belastingplichtige: het belastbaar inkomen is het geïndexeerd kadastraal inkomen;
  • het gebouw is niet het woonhuis van de belastingplichtige maar wordt niet verhuurd: het belastbaar inkomen is het geïndexeerd kadastraal inkomen verhoogd met 40%. De verhoging met 40% wordt toegepast na indexatie van het KI;
  • het gebouw wordt door de eigenaar gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden: er is geen belastbaar onroerend inkomen daar dit geacht wordt begrepen te zijn in de inkomsten uit beroepsbezigheden;
  • het gebouw wordt verhuurd aan een natuurlijke persoon die het niet gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid: het belastbaar inkomen is het geïndexeerd kadastraal inkomen verhoogd met 40%;
  • het gebouw wordt verhuurd aan
    • een natuurlijke persoon die het gebruikt voor zijn beroepswerkzaamheden;
    • een vennootschap (onder voorbehoud van de regel van de herkwalificering van de inkomsten);
    • aan om het even welke rechtspersoon (tenzij het geval hieronder):
    • het belastbaar inkomen is gelijk aan de huuropbrengst, verminderd met 40% voor forfaitaire kosten, maar de kosten mogen niet meer bedragen dan tweederde van het bedrag dat 3,35 keer het kadastraal inkomen vertegenwoordigt en de nettohuur mag niet minder bedragen dan het geïndexeerd kadastraal inkomen verhoogd met 40%;
  • het gebouw wordt verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is en die het onderverhuurt aan een of meer natuurlijke personen om uitsluitend als woning te worden gebruikt: het belastbaar inkomen is gelijk aan het kadastraal inkomen verhoogd met 40%.

Het huurinkomen van bedrijfsleiders moet worden geherkwalificeerd in beroepsinkomsten in de mate dat de huurprijs hoger is dan 5/3 van het gerevaloriseerd K.I.. Aangezien de revalorisatiecoëfficiënt voor het aanslagjaar 2006 vastgesteld is op 3,50 vindt herkwalificatie plaats zodra het huurinkomen hoger is dan 5,833 keer het ongeïndexeerde K.I. Voor de herkwalificatie is het noodzakelijk dat de belastingplichtige-bedrijfsleider de hoedanigheid heeft van eigenaar, bezitter, vruchtgebruiker, erfpachter of opstalhouder van het onroerend goed. Indien een bedrijfsleider verschillende gebouwen verhuurt aan de vennootschap, moet voor elk onroerend goed afzonderlijk worden nagegaan of er tot herkwalificatie moet worden overgegaan. Er is slechts sprake van herkwalificatie voor de bedrijfsleiders van categorie 1, zijnde de natuurlijke personen die een opdracht uitoefenen als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of soortgelijke functie. De herkwalificatie geldt niet voor de bedrijfsleiders van categorie 2 (zijnde de personen die in een vennootschap een werkzaamheid of een leidende functie van dagelijks bestuur, van commerciële, technische of financiële aard uitoefenen buiten een arbeidsovereenkomst).

Deze regels zijn ook van toepassing op gebouwde onroerende goederen (behalve het eerste en het laatste geval). Wordt het gebouw verhuurd aan een natuurlijke persoon die het gebruikt voor zijn beroepswerkzaamheden, aan een vennootschap of rechtspersoon (voorlaatste geval), dan wordt het belastbaar inkomen bepaald door van de brutohuuropbrengst 10% als forfaitaire kosten af te trekken.

Wanneer een onroerend goed door de eigenaar volledig of gedeeltelijk wordt gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, is het overeenstemmende kadastraal inkomen niet belastbaar als onroerend inkomen: het wordt dan geacht deel uit te maken van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid.

De inkomsten van onroerende goederen omvatten eveneens de bedragen verkregen uit hoofde van de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht, van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten. Sommen betaald voor de verwerving van dergelijke rechten zijn aftrekbaar. Erfpacht is een tijdelijk zakelijk recht (van 27 tot 99 jaar) waarbij aan de erfpachter het volle genot wordt verleend van andermans onroerend goed onder de verplichting om de eigenaar-erfpachtgever, een jaarlijkse vergoeding te betalen. Opstal is het recht om tijdelijk gebouwen of beplantingen in eigendom te hebben op andermans grond.

Inzake verpachting van in België gelegen onroerende goederen bestaan drie voordelige aanslagstelsels:

  • het eerste houdt in dat de (particuliere) verhuurder slechts belastbaar is op basis van het geïndexeerde kadastraal inkomen in plaats van de op de nettohuurprijs. Daartoe is vereist dat de verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving gebeurt en dat de huurder de goederen voor land- of tuinbouwdoeleinden gebruikt;
  • het tweede stelsel betreft de “loopbaanpacht” en voorziet - onverminderd de heffing van de onroerende voorheffing- in de vrijstelling van personenbelasting voor de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen die bij loopbaanpacht worden verhuurd. Dit wil zeggen tot de pachter 65 jaar oud is en met een minimumduur van 27 jaar;
  • het derde stelsel is in werking getreden op 3 juli 1999 6 en heeft betrekking op de vrijstelling van de inkomsten van gronden die verhuurd worden op basis van een bij authentieke akte opgestelde pachtovereenkomst die in een eerste gebruiksperiode van minimum achttien jaar voorziet. De vrijstelling geldt eveneens voor lopende pachtovereenkomsten.

Bij verandering van eigenaar tijdens het jaar (wegens verkoop, schenking, erfenis enz.) is elk van de opeenvolgende eigenaars belastbaar op de inkomsten van het onroerend goed die evenredig verband houden met het tijdperk waarin hij het goed in eigendom had; dit tijdperk moet in maanden worden uitgedrukt. Wanneer de verandering van eigenaar niet samenvalt met het begin van de maand, zal het inkomen van onroerende goederen van de maand waarin de overdracht heeft plaatsgehad worden vastgesteld met inachtneming van de toestand die zich voordeed op de 16e dag van die maand.

Voor goederen in onverdeeldheid wordt het deel van het inkomen belast dat met het aandeel van de belastingplichtige in het onverdeelde overeenstemt.

Voor inlichtingen in verband met het kadastraal inkomen kan men terecht op onderstaand adres:

FOD Financiën
North Galaxy - Koning Albert II-laan 33 te 1030 Brussel
tel.: 02/336.69.99- fax.: 02/336.17.66
e-mail: info.acedakred@minfin.fed.be

Belastingdienst voor Vlaanderen Onroerende Voorheffing
Bauwensplaats 13 bus 2 te 9300 Aalst
Vlaamse belastinglijn: 078/15.30.15
Faxnummer : 053/72.23.75
e-mail: info@onroerendevoorheffing.be

b. Aftrekbare interest en sommen betaald voor de verkrijging van een recht van erfpacht of opstal

Interest van leningen mag slechts worden afgetrokken van de inkomsten van onroerende goederen wanneer ze betrekking heeft op schulden die specifiek zijn aangegaan voor het verkrijgen of het behouden van onroerende goederen. Die interest en de sommen betaald voor de verkrijging van een recht van erfpacht of opstal worden rechtstreeks afgetrokken van de belastbare onroerende inkomsten vóór toepassing van de woningaftrek. De aldus aftrekbare bedragen mogen niet hoger zijn dan het bedrag van de belastbare onroerende inkomsten.

Onder bepaalde voorwaarden en beperkingen, is ook een bijkomende aftrek voorzien voor de intrest van hypothecaire leningen, met een looptijd van ten minste 10 jaar, welke zijn gesloten om de enige woning te bouwen, in nieuwe staat te verwerven of te vernieuwen. Die interest wordt afgetrokken van het totale netto-inkomen en is dus niet beperkt tot het bedrag van de inkomsten van onroerende goederen (zie 2.1.1.7., 6°).

Ingevolge de programmawet van 27 december 2004 7 , die op 1 januari 2005 in werking treedt, worden de bijkomende intrestaftrek en de verhoogde vermindering vermindering van het bouwsparen afgeschaft en vervangen door de aftrek enige woning . Op voorwaarde dat de woning de enige woning is van de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, is per belastingplichtige jaarlijks een basisbedrag van maximaal 1.500 EUR (geïndexeerd 1.860 EUR) aftrekbaar aan het marginaal tarief. Dat bedrag wordt gedurende de eerste 10 jaar telkens verhoogd met 500 EUR (geïndexeerd 620 EUR) op voorwaarde dat het eigen woonhuis de enige woning blijft. Deze verhoging wordt ook nog eens verhoogd met 50 EUR (te indexeren) wanneer de belastingplichtige drie of meer kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar waarin het leningscontract is afgesloten. De bedragen gelden ongeacht het inkomensniveau en het type woning. Deze wijzigingen gelden enkel voor de enige eigen woning. Verder wordt nog gepreciseerd:

- dat echtgenoten en wettelijk samenwonenden, in wier hoofde een gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt, vrij kunnen kiezen hoe zij de aftrek onder elkaar verdelen met de beperking dat maximaal 85 % bij één van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden mag geconcentreerd zijn;

- dat ook de premies van een individuele levensverzekering afgesloten tot waarborg of wedersamenstelling van een dergelijke lening, in de aftrek betrokken worden;

- verder is voor de aftrek van de enige woning vereist dat de voordelen van het verzekeringscontract bij overlijden ten goede komen aan de persoon die de eigenaar of vruchtgebruiker van de woning wordt.

De nieuwe aftrek voor enige woning is niet van toepassing op alle woonleningen die vóór 1 januari 2005 zijn afgesloten. Op deze leningen blijven de bestaande regels voor gewone en bijkomende intrestaftrek, bouwsparen en langetermijnsparen, van toepassing. Ook sommige woonleningen die na 1 januari 2005 worden afgesloten, vallen niet onder toepassing van de nieuwe regeling. Het gaat ondermeer om:

- herfinancieringen van woonleningen die vóór 1 januari 2005 zijn afgesloten;

- hypothecaire leningen die worden afgesloten terwijl nog interesten van een vroegere (hypothecaire of financierings)lening in mindering worden gebracht van het kadastraal inkomen.

c. Een vrijstelling of vermindering van het K.I. wordt in de volgende gevallen toegekend:

c.a . Geniet belastingvrijstelling , het K.I. van in België gelegen onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner, zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of voor de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor de vestiging van hospitalen, klinieken, dispensaria, vakantietehuizen voor kinderen of rusthuizen, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

c.b. Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van niet-bewoning, het buiten werking blijven of de onproductiviteit:

  • wanneer een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht;
  • wanneer materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 % van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, in het jaar gedurende ten minste 90 dagen buiten werking zijn gebleven;
  • wanneer een onroerend goed of materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25% van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, zijn vernield.

In deze gevallen moet slechts het geïndexeerde verminderde KI in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de in de PB belastbare inkomsten.

De voorwaarden voor de vermindering moeten worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel wanneer dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken of kan worden geacht afzonderlijk te werken, ofwel een eenheid die van de andere goederen of delen die het perceel vormen kan worden afgezonderd en afzonderlijk kan worden gekadastreerd.

De onproductiviteit moet onvrijwillig zijn. Dit is niet voldoende bewezen wanneer de belastingplichtige zich ertoe beperkt het goed tegelijkertijd te koop en te huur aan te bieden. De belastingplichtige zal andere bewijsmiddelen moeten leveren betreffende dit onvrijwillig karakter zoals wegeniswerken, onteigening, materiële onbewoonbaarheid van het pand enz.

In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt een kwijtschelding of een proportionele vermindering van OV toegestaan voor niet-gemeubileerde gebouwen die tijdens het aanslagjaar voor minstens 90 dagen niet in gebruik waren en geen inkomsten opgebracht hebben. Daaraan zijn nog een aantal bijkomende voorwaarden 8 gekoppeld:

  • het gebouw moet door de bevoegde instantie ongezond maar verbeterbaar zijn verklaard;
  • na de werkzaamheden moet het gebouw beantwoorden aan bepaalde minimale bewoonbaarheidsnormen in de zin van de reglementering omtrent de toekenning van toelagen voor de renovatie van woningen aan natuurlijke personen;
  • de belastingplichtige moet een bewoning van het gebouw kunnen bewijzen gedurende een bepaalde ononderbroken periode en hij moet aan de Administratie een attest bezorgen dat is uitgereikt door bevoegde instantie.

In het Vlaamse Gewest wordt het kadastraal inkomen van nieuwe investeringen in materieel en outillering die onroerend zijn door bestemming en die gedaan worden na 1 januari 1998, niet langer belast in de onroerende voorheffing. De vrijstelling geldt enkel voor het KI dat hoger ligt dan het bestaande KI voor materieel en outillage op 1 januari 1998 (ook vervangingsinvesteringen). Er wordt ook geen vrijstelling verleend voor investeringen op percelen waar een bedrijvigheid uitgeoefend wordt die in overtreding is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften van de bestaande plannen van aanleg. De vrijstelling is niet persoonsgebonden, wel perceelsgebonden. Wijzigingen van eigenaar blijven dus zonder invloed. Daarenboven wordt vanaf 1998 op Vlaams niveau geen indexatie meer voorzien voor de KI's van materieel en outillage.

Sinds 1998 is de indexering van het kadastraal inkomen voor materieel en outillage in het Vlaams gewest bevroren. Omdat Vlaanderen niet bevoegd is om de indexering van de KI's zelf af te schaffen, wordt een onrechtstreekse desindexering toegepast, door de aanslagvoet in de OV elk jaar te verminderen in functie van de stijging van het indexcijfer. Voor aanslagjaar 2006 is de coëfficiënt waarmee de indexering gebeurt, vastgelegd op 0,8465. De aanslagvoet na desindexatie voor de onroerende voorheffing op materieel en outillage komt daarmee op 2,12 tegenover 2,18 % voor aj. 2005.

Sedert 1 januari 2005 9 geldt ook in het Waals gewest een vrijstelling van nieuwe investeringen in materieel en outillering. Deze moeten in nieuwe staat zijn verworven of samengesteld. Sedert 1 januari 2004 10 werd in het Waals gewest een vrijstelling ingevoerd ten aanzien van het materieel en de outillage, wanneer het kadastraal inkomen lager is dan 795 EUR per kadastraal perceel. Om dit plafond te berekenen moet men voortaan de hierboven vermelde vrijstelling voor nieuwe investeringen in materieel en outillering, in mindering brengen.

Het Waals Programmadecreet van 23 februari 2006 11 voert een nieuwe onvoorwaardelijke vrijstelling in voor nieuwe investeringen in materieel en outillage die vanaf 1 januari 2006 in nieuwe staat worden verkregen of tot stand gebracht op het grondgebied van het Waalse gewest. Deze investeringen zijn volledig vrijgesteld ongeacht het KI van het desbetreffende perceel.

c.c . woningaftrek

De programmawet van 27 december 2004 12 schaft vanaf 1 januari 2005 de woningaftrek af. In de plaats daarvan wordt het kadastraal inkomen van de eigen woning volledig van belasting vrijgesteld. Ook de verrekening van de onroerende voorheffing wordt volledig geschrapt. Om niet te raken aan de verrekening van de onroerende voorheffing in de gevallen waarin vóór 1 januari 2005 een lening voor de eigen woning werd afgesloten, is in een overgangsregeling voorzien. Deze overgangsregeling voorziet dat de oude regels inzake woningaftrek en verrekening van de onroerende voorheffing van toepassing blijven wanneer:

- de belastingplichtige nog leningen heeft lopen die gesloten zijn om de eigen woning te verwerven of te behouden, en deze leningen afgesloten zijn vóór 1 januari 2005, of vanaf 1 januari 2005 ter herfinanciering van een vóór 1 januari 2005 afgesloten lening;

- de belastingplichtige voor de eigen woning vanaf 1 januari 2005 een nieuwe lening heeft afgesloten terwijl de interesten van een vóór 1 januari 2005 afgesloten lening ter financiering van een vóór 1 januari 2005 afgesloten lening, nog in aanmerking komen voor de aftrek van interesten. De overgangsregeling vervalt evenwel als de belastingplichtige ten aanzien van de nieuwe lening opteert voor toepassing van de nieuwe aftrek voor de enige woning. Deze optie is definitief, onherroepelijk en bindend.

Voor de belastingplichtige die een woning betrekt, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, wordt het kadastraal inkomen van die woning slechts in aanmerking genomen in de mate dat het meer bedraagt dan 4.167 EUR voor aj. 2006 (4.283,00 EUR voor aj. 2007). Dit bedrag wordt verhoogd met 347 EUR voor aj. 2006 per persoon (357,00 EUR voor aj. 2007), zijnde echtgenoot, de personen die ten laste zijn van de belastingplichtige en de overleden echtgenoot van de belastingplichtige, indien deze laatste een weduwnaar of een weduwe is met kinderlast. Er wordt bovendien een verhoging van de gewone woningaftrek van 347 EUR (357 EUR voor aj. 2007) toegestaan voor elke van deze personen die zwaar gehandicapt is. Dit betekent dat personen die deel uitmaken van het gezin en zwaar gehandicapt zijn, voor twee tellen voor de verhoging van de gewone woningaftrek. De verhoging van 347 EUR (aj 2006) per persoon ten laste wordt verdeeld zoals het kadastraal inkomen van de woning verdeeld is. Het basisbedrag en zijn eventuele verhogingen vormen de gewone aftrek.

Vanaf aj. 2005 heeft iedere echtgenoot of ieder wettelijk samenwonende recht op de volledige woningaftrek. De aftrek wordt toegepast op het kadastraal inkomen van de woning dat op grond van de toewijzingsregels 13 deel uitmaakt van zijn belastbaar inkomen. De woningaftrek wordt bijgevolg niet opgesplitst, zodat hij in de toekomst aan een gezin tweemaal kan worden toegekend. Betrekken de gehuwden of wettelijk samenwonenden meer dan één woning, dan moeten zij voor de woningaftrek een woning aanduiden.

De woningaftrek wordt verhoogd (aanvullende woningaftrek) met de helft van het verschil tussen het KI van de woning en de woningaftrek wanneer het totale netto-inkomen voor aanslagjaar 2006 niet hoger is dan 29.230 EUR (30.040 EUR voor aj. 2007). De totale aftrek mag niet hoger zijn dan het kadastraal inkomen waarvoor de aftrek wordt toegestaan.

Die aftrek wordt slechts verleend op één enkele woning naar keuze van de belastingplichtige, ingeval meer dan één woning wordt betrokken.

Hij is eveneens van toepassing op de belastingplichtige die, om beroepsredenen of redenen van sociale aard, niet persoonlijk de woning betrekt, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Als sociale of beroepsreden wordt niet aanvaard het geval waarin een vennootschap de belastingplichtige, die een schuld heeft ten aanzien van de vennootschap, verplichtte om zijn woning te verkopen en tijdelijk een ander onroerend goed te betrekken. De administratie neemt wel aan dat deze redenen aanwezig zijn voor een belastingplichtige die na aankoop van een woonhuis, zijn woning wegens beroepsnoodwendigheden of omstandigheden van sociale aard ( te grote afstand tussen woonplaats en plaats waar kinderen studeren of vrouw werkt, ouderdom of ziekte) heeft moeten verlaten of nooit heeft kunnen betrekken. Het samenwonen met de echtgenoot of met de wettelijke partner wordt niet beschouwd als een sociale reden.

De aftrek wordt echter niet verleend op het gedeelte van de woning dat de belastingplichtige gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid of dat betrokken wordt door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin. Betrekt een belastingplichtige verscheidene van zijn woningen zelf, dan mag hij kiezen voor welk huis hij de forfaitaire aftrek wil toegepast zien.

Ook de delen van de woning die gratis of onder bezwarende titel - privé of beroepshalve - worden betrokken door personen die geen deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige, komen niet voor de woningaftrek in aanmerking. Terzake wordt echter opgemerkt dat het begrip "personen die deel uitmaken van het gezin" ook de personen omvat die fiscaal niet als ten laste van de belastingplichtige kunnen worden beschouwd.

Maakt de woning deel uit van een onverdeeldheid, dan heeft iedere eigenaar recht op de woningaftrek voor het gedeelte van de het geïndexeerde KI dat aan zijn deel beantwoordt. Indien evenwel de inkomsten van onroerende goederen van al de eigenaars in het onverdeelde of van verscheidene eigenaars in het onverdeelde voor de toepassing van de PB worden samengevoegd, mag de woningaftrek slechts éénmaal worden toegestaan op het geïndexeerde KI dat overeenstemt met het totaal van de delen van de betrokkenen in de onverdeelde woning.

d. Met de personenbelasting verrekenbare onroerende voorheffing

Met ingang van aanslagjaar 2006 (inkomsten van 2005) geldt, onder voorbehoud van een overgangsregeling, een volledige vrijstelling van het kadastraal inkomen van de eigen woning. De vrijstelling geldt onverminderd de heffing van de onroerende voorheffing, die voortaan niet meer verrekenbaar is.

Als onroerende voorheffing wordt enkel verrekend het bedrag van de onroerende voorheffing met betrekking tot het kadastraal inkomen van de eigen woning in zover dat kadastraal inkomen in het belastbare inkomen is begrepen.

Het te verrekenen bedrag mag niet hoger zijn dan 12,5% van het in het belastbare inkomen begrepen K.I. dat aan de onroerende voorheffing is onderworpen. De verrekening van de onroerende voorheffing is bovendien beperkt tot de totale verschuldigde belasting.

De onroerende voorheffing betaald voor de enige woning die verhuurd wordt of voor een tweede woning is noch verrekenbaar noch aftrekbaar in de personenbelasting.

2.1.1.4. Inkomsten van roerende goederen en kapitalen

Vanaf aj. 2005 wordt iedere echtgenoot of wettelijk samenwonende belast op de roerende inkomsten die hem/haar eigen zijn en op de helft van de andere roerende inkomsten. Ook heeft iedere echtgenoot of wettelijk samenwonende recht op de vrijstellingen (zie 2.1.1.4. punt b.) zodat in concreto de vrijstellingen verdubbeld worden.

Inkomsten van roerende goederen en kapitalen die worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten, zijn in het kader van de personenbelasting - maar niet van de voorheffingen - beroepsinkomsten (zie ook 2.1.1.8. hierna). Zij worden bijgevolg niet afzonderlijk als inkomsten van roerende goederen en kapitalen onder de belastbare inkomsten van de belastingplichtige worden gebracht.

Voor sommige roerende inkomsten is de aangifte verplicht terwijl zij voor andere facultatief is.

Moeten niet verplicht worden aangegeven, de dividenden, inkomsten uit kasbons, gelddeposito's, obligaties en andere vastrentende effecten die bij hun inning worden onderworpen aan de roerende voorheffing.

Moeten verplicht worden aangegeven:

  • de inkomsten van buitenlandse oorsprong die rechtstreeks in het buitenland worden geïnd;
  • de inkomsten uit gewone spaarboekjes, de inkomsten van kapitalen die worden aangewend in erkende coöperatieve vennootschappen, alsmede de inkomsten betaald of toegekend door erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk, die zijn vrijgesteld van roerende voorheffing maar wel zijn onderworpen aan de personenbelasting;
  • de overige inkomsten die niet zijn onderworpen aan de voorheffing zoals inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten en opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik of concessie van roerende goederen en inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen, ander dan hypothecaire obligaties, op in België gelegen onroerende goederen.

Roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn in beginsel onderworpen aan de gewone belastingregeling. Daaruit volgt dat ze in principe dubbel worden belast: in het land van oorsprong én in België. Om deze dubbele belasting te compenseren heeft men in België (onder bepaalde voorwaarden) recht op de verrekening van de buitenlandse belasting. Dit wil zeggen dat de buitenlandse belasting afgetrokken wordt van de belasting die in België verschuldigd is. Die verrekening gebeurt in principe op forfaitaire wijze. Vandaar dat men spreekt van het "forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting". Dit FBB bedraagt in de regel 15 %. Om het FBB te kunnen verrekenen moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de betrokken inkomsten moeten in het buitenland onderworpen geweest zijn aan een personenbelasting, vennootschapsbelasting of belasting niet-inwoners;
  • het FBB is enkel van toepassing op inkomsten uit activa die voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheden in België gebruikt worden;
  • het FBB wordt niet toegekend als de vennootschap-schuldeiser zelf de financiering en het risico van de lening niet heeft gedragen.

Dividenden, inkomsten uit kasbons, gelddeposito's, obligaties en andere vastrentende effecten die bij hun inning aan de roerende voorheffing onderworpen zijn, moeten niet worden aangegeven in de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting.

Tegen uiterlijk 1 januari 2005 moeten de lidstaten hun nationale wetgeving aanpassen aan de Richtlijn 2003/123/EG van 22 december 2003 14 . De moeder-dochterrichtlijn, die voorziet dat winstuitkeringen tussen moeder- en dochtervennootschappen in principe belastingvrij zijn, zal hierdoor gewijzigd worden.

De moeder-dochterrichtlijn is van toepassing indien zowel de dochtervennootschap als haar moedervennootschap één van de kwalificerende vennootschapsvormen hebben. Voor België zijn dit de naamloze vennootschap, de commanditaire vennootschap op aandelen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam zijn. Daar worden nu aan toegevoegd: de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid, de vennootschap onder firma, de gewone commanditaire vennootschap, alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Belgisch recht en die onder de Belgische vennootschapsbelasting vallen.

Om van deze winstvrijstelling te kunnen genieten moet de moedervennootschap een minimale participatie aanhouden. Momenteel bedraagt deze 25 %. Vanaf 2005 zal deze verlaagd worden naar 20 %, 15 % vanaf 2007 en 10 % vanaf 2009. Ook de verrekeningsmethode wordt uitgebreid: momenteel wordt enkel rekening gehouden met de belasting die de uitkerende dochtervennootschap zelf heeft betaald. Volgens de nieuwe richtlijn moet er ook rekening mee worden gehouden dat in sommige gevallen de winst via een keten van kleine dochterondernemingen aan de moedermaatschappij wordt uitgekeerd en moet bijgevolg voortaan ook verrekening worden toegestaan , niet alleen met betrekking tot de belasting die de dochter op de uitgekeerde winst heeft betaald, maar ook met betrekking tot de belasting die enigerlei kleindochteronderneming op die winst heeft betaald. Voorwaarde is evenwel dat bij iedere schakel een vennootschap en haar kleindochteronderneming kunnen beschouwd worden als een dochtervennootschap en moedermaatschappij in de zin van de moeder-dochterrichtlijn.

a. Inkomsten van roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen “aangewend uit welken hoofde ook”, met name:

a.a. Dividenden:

zij omvatten:

a.a.1. Alle voordelen van aandelen en winstbewijzen:

alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen. Deze definitie veronderstelt een verarming van de vennootschap die overeenkomt met een verrijking van de verkrijger van het voordeel.

a.a.2. Terugbetalingen van kapitaal:

gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen. De gehele of gedeeltelijke terugbetaling van uitgiftepremies wordt vrijgesteld onder dezelfde voorwaarde en in dezelfde mate als de terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal.

a.a.3. Vergoedingen van ontbrekende coupon 15

de vergoedingen voor ontbrekende coupon van aandelen die toegelaten zijn tot verhandeling op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in de richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten of op een gereglementeerde markt van een niet-lidstaat van de Europese Unie waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, wanneer deze vergoedingen worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van deze aandelen, ter vervanging van dividenden die er verband mee houden.

De Collateral-wet van 15 december 2004 16 kwalificeert deze vergoeding in hoofde van de ontvanger fiscaal-technisch als een divers inkomen van roerende aard.

a.a.4. Geherkwalificeerde interest:

Intresten van geldleningen op natuurlijke personen -aandeelhouders (en andere natuurlijke personen) kunnen in bepaalde omstandigheden geherkwalificeerd worden in dividenden.

De herkwalificatieregel luidt als volgt: interest van voorschotten, betaald door een vennootschap aan een bedrijfsleider, wordt als dividend beschouwd in de mate dat:

  • ofwel de interest meer bedraagt dan een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet. Deze grens wordt beoordeeld per voorschot;
  • ofwel het totale bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestorte kapitaal bij het einde van dit tijdperk. Deze grens wordt beoordeeld per vennootschap.

De herkwalificatie is van toepassing wanneer:

  • de rentegevende voorschotten bestaan in de vorm van een geldlening (andere vorderingen of kosten die de vennoot voor de vennootschap heeft gemaakt en die nog niet zijn uitbetaald, komen niet in aanmerking voor herkwalificatie);
  • de geldlening moet toegestaan worden door een natuurlijke persoon aan een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of door een persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon) aan een vennootschap waarin hij een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of ander soortgelijke functie vervult of door de echtgenoot of minderjarige niet-ontvoogde kinderen van voornoemde personen.

Komen niet in aanmerking voor herkwalificatie:

  • obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
  • geldleningen aan coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie;
  • geldleningen verstrekt door de binnenlandse vennootschappen die effectief aan de vennootschapsbelasting onderworpen worden.
a.b. Interest:

deze omvat:

a.b.1. interest, premies en alle andere opbrengsten

van leningen en gelddeposito's (al dan niet vastrentende effecten), van leningen van aandelen en van elke andere schuldvordering van dezelfde aard. Met betrekking tot gelddeposito's, omvatten de inkomsten de opbrengsten uit verrichtingen tot afstand, uit welken hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen. De inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van berekening en vaststelling.

a.b.2. het interestgedeelte van leasingtermijnen;
a.b.3. de inkomsten van Bevek's met een vast rendement

het betreft de inkomsten uit aandelen betaald of toegekend door beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij het openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner of gelijk aan acht jaar.

a.b.4. het interestgedeelte van sommige levensverzekeringen

de inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen de betaalde of toegekende bedragen, met uitsluiting van de vrijgestelde deelnemingen in de winst, en het totaal van de gestorte premies. Het belastbaar bedrag van deze inkomsten moet ten minste gelijk zijn aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interest tegen 4,75% per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies.

a.c. Inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen.

Voorbeelden van inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen zijn de inkomsten van de verhuring van meubilair, autovoertuigen enz. en de royalty's ontvangen uit hoofde van de concessie van een octrooi, fabricageprocédés enz., zowel in het buitenland als in België.

De inkomsten van onderverhuring of van overdracht van huur van in België of in het buitenland gelegen onroerende goederen (of gedeelten daarvan) vallen evenwel in de categorie diverse inkomsten.

a.d. lijfrenten en tijdelijke renten

Het betreft de inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten (d.w.z. renten die moeten betaald worden zolang de renteheffer leeft) of tijdelijke renten (d.w.z. renten die slechts gedurende een welbepaalde termijn moeten worden betaald) -met uitzondering van die welke de aard hebben van met beroepsinkomsten gelijkgestelde pensioenen- die onder bezwarende titel aangelegd zijn:

  • ten laste van enige rechtspersoon of onderneming;
  • door middel van stortingen die zijn verricht of kapitalen die zijn afgestaan na 1.1.1962.

Wanneer de lijfrente wordt gevormd zonder afstand van het kapitaal, is ze volledig belastbaar want ze komt in dit geval overeen met de interest van dat kapitaal. Wanneer de lijfrente daarentegen met afstand van het kapitaal wordt gevormd, is het belastbare bedrag gelijk aan 3 % van dat kapitaal. Is dat kapitaal een onroerend goed, dan is de waarde ervan gelijk aan die welke voor de heffing van de registratierechten in aanmerking is genomen.

b. De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:

  • de inkomsten uit de preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  • inkomsten van aandelen, andere dan in a.b.3., hierboven bedoelde intrest, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door vennootschappen;
  • de inkomsten uit Belgische openbare fondsen en uit leningen van voormalig Belgisch-Kongo, die uitgegeven werden onder vrijstelling van de Belgische zakelijke en personele belastingen, of van elke belasting;
  • de loten van effecten van leningen (deze inkomsten worden gerangschikt onder de diverse inkomsten);

de eerste schijf van 1.550 EUR voor aj. 2006 per gezin (1.600 EUR voor aj. 2007) van inkomsten van gewone spaardeposito's (d.w.z. die blijken uit spaarboekjes bij Belgische spaarinstellingen en banken, zonder vaste termijn of opzeggingstermijn) en die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij KB. Eén van die voorwaarden luidt dat de spaardeposito's in EUR moeten uitgedrukt zijn.

Aangezien met ingang van het aanslagjaar 2005 ook de roerende inkomsten gedecumuleerd worden vastgesteld, heeft voortaan elke echtgenoot of wettelijke samenwonende, recht op de vrijstelling. Dit kan zelfs het geval zijn als het spaarboekje op naam van één van beiden staat. In dit geval moet voor de toepassing van de roerende voorheffing wel rekening gehouden worden met de inkomsten die overeenkomstig het vermogensrecht belastbaar zijn ten name van elke echtgenoot of wettelijk samenwonende.

  • de eerste schijf van 160,00 EUR voor aj. 2006 en 2007 per gezin van de inkomsten uit aangewende kapitalen in de door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen; dezelfde regeling geldt voor interesten en dividenden die uitgekeerd worden door erkende vennootschappen met sociaal oogmerk die uitsluitend actief zijn in bepaalde sectoren;
  • de inkomsten uit effecten van leningen voor de herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting;
  • de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, die in het kader van het pensioensparen worden verleend of toegekend aan daartoe erkende instellingen voor collectieve belegging of aan houders van een individuele spaarrekening ter zake van de in die rekening begrepen activa, voor zover aan de op dat stuk gestelde vereisten is voldaan en de gestorte bedragen in het kader van het pensioensparen voor belastingvermindering in aanmerking zijn genomen;
  • de inkomsten die zijn begrepen in de kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon in elk van de volgende gevallen:
    • wanneer de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130% van het totaal van de gestorte premies;
    • wanneer het contract gesloten is voor meer dan 8 jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan 8 jaar na het sluiten van het contract.

c. Onder netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen wordt verstaan, het geïnde of verkregen bedrag verhoogd met

  • de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten. Onder bepaalde voorwaarden mogen zij naderhand van dat netto-bedrag in mindering gebracht worden;
  • de werkelijke RV of fictieve RV (FRV) betreffende die inkomsten.

Onder netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen wordt verstaan het brutobedrag ervan, verminderd met de kosten gedragen met het oog op hun verkrijging of hun behoud; bij ontstentenis van bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd op een percentage dat verschilt al naargelang de aard van de inkomsten.

De roerende inkomsten kunnen afzonderlijk worden belast (zie 2.1.5.2. hierna). In dit geval moet de belasting verhoogd worden met de aanvullende gemeentebelasting doch niet met de aanvullende crisisbijdrage. De volledige globalisatie wordt slechts toegepast als zij voordeliger is voor de belastingplichtige: slechts in dit geval worden de innings- en bewaringskosten afgetrokken. Slechts de innings- en bewaringskosten op de aangegeven roerende goederen komen voor aftrek in aanmerking.

1 Programmawet van 20 juli 2006, BS van 28 juli 2006

2 Wet van 4 mei 1999 (BS van 4 juni 1999).

3 Wet van 10 augustus 2005, BS van 2 september 2005

4 Programmawet van 27 december 2004, BS van 31 december 2004 en Circulaire nr. AINV 1/2005 (IR/I-1/64.263) dd. 07.02.2005

5 KB van 19 mei 2006, BS van 29 mei 2006

6 Wet van 13 mei 1999 - BS van 3 juli 1999

7 BS van 31 december 2004

8 Terzake werd aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld omtrent het discriminerend karakter van de voorwaarden waaraan het Brusselse gewest de kwijtschelding of vermindering koppelt

9 Waals programmadecreet van 3 februari 2005, BS van 1 maart 2005

10 decreet van 22 oktober 2003, BS van 19 november 2003

11 BS van 7 maart 2006

12 BS van 31 december 2004

13 artikel 127 W.I.B. 1992

14 PB van 13 januari 2004

15 deze vergoedingen zijn vanaf 1 februari 2005 diverse inkomsten

16 BS van 20 juni 2005

" Hoe optimaliseer ik mijn echtscheiding" van de auteur Dirk Miseur, die zelf fiscaal adviseur is, is een echte aanrader op dit gebied
Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap