JURIDISCH - OMGANGSRECHT - BOYCOT

Belgische Centrale Autoriteit voor internationale kinderontvoeringen
De Verordening Brussel II bis van 2003
INTERNATIONALE KINDERONTVOERING EN GRENSOVERSCHRIJDEND OMGANGSRECHT

 

De wetgever heeft het “ onttrekken of niet afgeven van een minderjarige ” door de moeder of de vader aan de bewaring van hen aan wie het krachtens een beslissing is toevertrouwd of die het recht hebben het op te eisen, stafbaar gesteld in artikel 431 van het Strafwetboek.

Ons Belgisch strafrecht stelt ondermeer strafbaar «  de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren....”

Men moet bij een boycot van het omgangsrecht steeds een proces-verbaal laten opmaken. Indien men er al verschillende op korte tijd heeft, kan men dan een gerechtelijke procedure starten. Deze procedure heeft tegenwoordig meestal als vonnis dat de niet willende ex-partner veroordeeld wordt tot een geldboete voor elke keer dat de kinderen niet meegegeven worden.

 

Belgische Centrale Autoriteit voor internationale kinderontvoeringen

Indien u slachtoffer bent van een grensoverschrijdende ontvoering van uw kind door de andere ouder of indien u moeilijkheden hebt om een persoonlijke relatie te blijven onderhouden met uw in het buitenland verblijvende kind, kan u de hulp inroepen van de dienst die voor België is aangewezen als Centrale Autoriteit met het oog op de uitvoering van de internationale instrumenten inzake internationale kinderontvoering.

FOD Justitie
Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden
Centrale Autoriteit wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken
Waterloolaan 115
1000 Brussel
België

Tel.: (+32) 2 542 67 00
Fax: (+32) 2 542 70 06
E-mail: kinderontvoering@just.fgov.be

België is gebonden door verscheidene internationale instrumenten die maatregelen bevatten ter bestrijding van het ongeoorloofd overbrengen van kinderen uit hun gewone verblijfplaats en ter bescherming van de persoonlijke relaties van kinderen met hun ouders over de grenzen heen.

Deze internationale instrumenten strekken tot bevordering van de administratieve en gerechtelijke samenwerking tussen staten teneinde te beletten dat de ouder die met het kind naar het buitenland vlucht de feitelijke situatie die daardoor ontstaat, alzo kan bestendigen of legaliseren.

De geldende wetgeving voorziet in de aanwijzing van Centrale Autoriteiten die belast zijn met de inwerkingtreding van een eenvoudige en snelle gerechtelijke procedure met het oog op de terugkeer van het ongeoorloofd overgebrachte kind naar zijn gewone verblijfplaats of met het oog op de regeling of de bescherming van de feitelijke uitoefening van een omgangsrecht.

De Centrale Autoriteiten treden op hetzij als verzoekende autoriteit, hetzij als aangezochte autoriteit.

Als verzoekende autoriteit

In dat geval vragen zij hun buitenlandse collega's vast te stellen of te bevestigen waar het kind zich bevindt, een minnelijke regeling trachten te bewerkstelligen en, bij mislukking van deze, de rechtbank te vatten met het verzoek tot terugkeer van het ongeoorloofd overgebrachte kind of het verzoek tot erkenning van een grensoverschrijdend omgangsrecht.

Naar gelang van de Staat waar het kind zich bevindt, kan de Belgische Centrale Autoriteit optreden:

  • de betrokken Staat is lid van de Europese Unie (met uitzondering van Denemarken) en is derhalve gebonden door EG-verordening nr. 2201/2003, de zogenaamde Brussel II bis-verordening;
  • de betrokken Staat heeft een eveneens door België bekrachtigd multilateraal verdrag ondertekend dat van toepassing is op dit soort geschillen: het Verdrag van ‘s-Gravenhage van 25 oktober 1980 of het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 ;
  • de betrokken Staat heeft met België een bilateraal verdrag ondertekend dat van toepassing is op dit soort geschillen.

Indien geen verdrag bestaat dat tussen België en deze Staat van toepassing is, beschikt de Belgische centrale autoriteit over geen enkele verdragsrechtelijke basis om op te treden. In dat geval kan u zich wenden tot de FOD Buitenlandse Zaken, Directoraat-generaal Consulaire Zaken, Karmelietenstraat 15 te 1000 Brussel. Deze dienst kan via de Belgische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen hulp en steun bieden bij de in het buitenland te ondernemen stappen.

Als aangezochte autoriteit

Als het geschil tussen de ouders niet kan worden opgelost door onderhandelingen, maken de centrale autoriteiten de zaak aanhangig of bevorderen de aanhangigmaking met het voormelde doel.

a. Ingeval de Belgische Centrale Autoriteit wordt aangezocht door een andere Verdragsluitende Staat met het oog op de terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind naar zijn gewone verblijfplaats, gaat zij na of de voorwaarden van het toe te passen verdrag, vervuld zijn en maakt de zaak aanhangig bij het bevoegde parket.

Wanneer de betrokken persoon het kind niet vrijwillig teruggeeft, wordt op verzoek van het parket een verzoek tot terugkeer van het kind naar zijn gewone verblijfplaats volgens de spoedprocedures aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

In geval van belangenconflict in hoofde van het openbaar ministerie, wordt door de Centrale Autoriteit een advocaat aangewezen ter verdediging van de belangen van de ouder.

Zodra de rechterlijke beslissing uitvoerbaar is, moet het parket samen met de Belgische Centrale Autoriteit ervoor zorgen dat deze zo spoedig mogelijk en in de best mogelijke omstandigheden daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

b. Ingeval de Belgische Centrale Autoriteit wordt aangezocht door een andere Verdragsluitende Staat met het oog op de erkenning en de regeling van een grensoverschrijdend omgangsrecht, maakt zij de zaak aanhangig bij het bevoegde parket onder de voormelde voorwaarden.

Het parket moet er dan voor zorgen dat de ouder of de persoon bij wie het kind woont, wordt gehoord over diens voornemen om het omgangsrecht van de andere ouder al dan niet na te leven en zoeken naar een minnelijke schikking over de wijze van uitoefening van dit recht.

Wanneer geen overeenstemming wordt bereikt, stelt het parket een gerechtelijke procedure tot erkenning en tenuitvoerleggingvan het grensoverschrijdend omgangsrecht in, of tot regeling ervan.

De medewerkers van de Belgische centrale autoriteit kunnen de ouders helpen hun individuele situatie te beoordelen en hen raad geven over de verschillende middelen die kunnen worden aangewend om hun rechten veilig te stellen. Bij de centrale autoriteit staat een psychologe ter beschikking van de ouders om hen nuttige informatie te geven en hen te helpen eventuele problemen op te lossen.

Ongeacht het optreden van de Belgische Centrale Autoriteit kan de verzoekende ouder ook zelf naar een minnelijke oplossing zoeken. Het is uiteraard raadzaam een advocaat te raadplegen die inlichtingen kan verschaffen over de burgerlijke of strafrechtelijke procedures die moeten worden ingesteld om zijn of haar rechten te doen gelden.


Bij internationale kinderontvoering
door één ouder: contacteer
de Centrale Autoriteit

Federaal Contactpunt:

Telefoon: 02/542 67 00

E-mail : kinderontvoering@just.fgov.be


 

De Verordening Brussel II bis van 2003

Verordening nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (ook “Brussel II bis” genoemd) is aangenomen op 22 november 2003 en in werking getreden op 1 maart 2005.

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op alle lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, en heeft betrekking op de volgende gebieden:

  • echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk,
  • de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid, te weten:
    • het gezagsrecht en het omgangs- en verblijfsrecht;
    • de voogdij, de curatele en het wettelijk bestuur onder gerechtelijk toezicht;
    • de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat;
    • de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van, dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.

Bevoegdheidsregels van de gerechten

In deze verordening zijn geen regels vastgesteld om te bepalen welk recht toepasselijk is. Er moet nog steeds worden verwezen naar het internationaal privaatrecht van elke lidstaat en naar de geldende internationale verdragen.

In de verordening worden de volgende beginselen gehuldigd:

  • inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk is het bevoegdheidscriterium de gewone verblijfplaats (artikel 3), dan wel de nationaliteit indien die voor beide partijen dezelfde is.
  • inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt de bevoegdheid uitgeoefend door het gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind wanneer de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dat gerecht blijft bevoegd tot drie maanden na de legale verhuizing van het kind naar een andere lidstaat.
  • in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind blijft het gerecht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had bevoegd, behalve in de volgende twee gevallen:
    • het kind heeft een gewone verblijfplaats verkregen in een andere lidstaat en enige persoon of instelling die gezagsrecht bezit over het kind, heeft berust in de overbrenging of het niet doen terugkeren;
    • het kind heeft inzonderheid een gewone verblijfplaats verkregen in een andere lidstaat, het heeft daar gedurende ten minste een jaar verbleven terwijl de persoon of instelling met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van zijn verblijfplaats en het is geworteld in zijn nieuwe omgeving (de voorwaarden voor dit tweede geval zijn opgesomd in artikel 10 b) van de verordening).

De artikelen 12 tot 15 voorzien in regels voor prorogatie en uitbreiding van rechtsmacht.

Zodra de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt (bepaling van het tijdstip van aanhangigmaking in artikel 16) moet de rechter ambtshalve zijn bevoegdheid toetsen aan de verordening en zich in voorkomend geval ambtshalve onbevoegd verklaren. Wanneer de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere staat, moet de rechter tevens zijn uitspraak aanhouden zolang niet bewezen is dat de verweerder het stuk waarmee het geding wordt ingeleid, niet heeft ontvangen.

Artikel 19 van de verordening tenslotte voorziet in regels inzake aanhangigheid en onderling samenhangende procedures en in artikel 20 is bepaald dat in spoedeisende gevallen voorlopige en bewarende maatregelen kunnen worden genomen door een gerecht dat overeenkomstig deze verordening onbevoegd is.

Erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing

Het beginsel is dat van de erkenning in elke lidstaat van de beslissingen gegeven in een andere lidstaat, zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is, mits die vergezeld gaan van een certificaat (zie artikel 39) afgegeven door de autoriteit van de staat waarvan die beslissingen uitgaan.

In de artikelen 22 en 23 van de verordening zijn de gronden opgesomd tot weigering van de erkenning van beslissingen inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk, alsook inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

Beslissingen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, en die betekend zijn, zijn in een andere lidstaat uitvoerbaar nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard (artikel 28 en volgende).

Inzake de beslissingen waarbij uitspraak wordt gedaan over het omgangsrecht is in de verordening bepaald dat elke in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing in een andere lidstaat wordt erkend en aldaar uitvoerbaar is, mits de beslissing vergezeld gaat van een certificaat afgegeven door de lidstaat van herkomst. Voor dergelijke beslissingen moet dus geen vereenvoudigde procedure tot uitvoerbaarverklaring worden toegepast.

Ongeoorloofde overbrenging van kinderen

De verordening is terzake een aanvulling op het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen en sluit erbij aan.

De ouder van wie het kind in strijd met zijn ouderlijke rechten naar een andere lidstaat is overgebracht, kan verzoeken dat het kind terugkeert naar zijn gewone verblijfplaats.

In dat geval blijft het gerecht van de staat van zijn gewone verblijfplaats immers bevoegd, zoals reeds gesteld (artikel 10 van de verordening).

De rechter van de lidstaat waarin het kind zich bevindt, bij wie een verzoek tot terugkeer van de minderjarige naar zijn gewone verblijfplaats aanhangig is gemaakt, moet dan volgens de regels van artikel 11 bepalen of de overbrenging of het vasthouden al dan niet ongeoorloofd is.

Bij een positief antwoord moet het gerecht de onmiddellijke terugkeer van het kind bevelen naar de staat van de gewone verblijfplaats.

Artikel 11 huldigt inzonderheid het beginsel, onder bepaalde voorwaarden, dat het kind wordt gehoord. Er is tevens bepaald dat de gerechten waarbij de zaken aanhangig zijn gemaakt, die zaken met spoed moeten behandelen en de terugkeer niet kunnen weigeren omdat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar (zie artikel 13 van het Verdrag van ‘s-Gravenhage), wanneer vaststaat dat de autoriteiten van de gewone verblijfplaats adequate maatregelen hebben getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te waarborgen. De terugkeer kan evenmin worden geweigerd indien de ouder die om de terugkeer van het kind verzoekt, niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

Bij een negatief antwoord moet de rechter van de lidstaat waarin het kind zich bevindt, zijn beslissing en de stukken van het dossier door de centrale autoriteit van die staat doen toezenden aan de rechter van de gewone verblijfplaats, die de partijen zal verzoeken hun conclusies in te dienen, indien zij de zaak nog niet bij hem aanhangig hebben gemaakt.

Die laatste rechter zal dan zijn beslissing ten gronde geven, i.e. hij spreekt zich uit over de wijze van uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid (daaronder begrepen de verblijfplaats van het kind en de organisatie van het omgangsrecht).

Indien de rechter in deze “definitieve” beslissing de verblijfplaats van het kind in de staat van de gewone verblijfplaats vestigt (en daardoor in feite de terugkeer van het kind beveelt), wordt deze beslissing toegepast en niet die welke gegeven is in de staat van toevlucht.

Deze beslissing wordt bovendien, net zoals beslissingen waarbij uitspraak wordt gedaan over het omgangsrecht, in de staat van toevlucht toegepast zonder exequatur, mits zij vergezeld gaat van het certificaat (artikel 39), zulks niettegenstaande de eerder gegeven beslissing houdende de niet-terugkeer.

INTERNATIONALE KINDERONTVOERING EN GRENSOVERSCHRIJDEND OMGANGSRECHT

Het verschijnsel internationale kinderontvoering komt jammer genoeg steeds vaker voor.
Elk jaar moeten de FOD Justitie en de FOD Buitenlandse Zaken meer dan honderd nieuwe dossiers behandelen.
Die gevallen houden verband:
> enerzijds met situaties van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind, in strijd met een gezagsrecht dat voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, een toekenning van rechtswege of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van het land waarin het kind zijn gewone verblijfplaats had;
> anderzijds met problemen op het vlak van de uitoefening van een grensoverschrijdend omgangsrecht.

Lees het volledige dossier hier

Home pagina Steunpunt Blijvend Ouderschap