Een plaats voor het kind in de bemiddeling?
Vermits er bemiddeld wordt tussen de scheidende ouders richten bemiddelaars zich hoofdzakelijk tot de ouders. De kinderen krijgen dus doorgaans vooral informatie van hun ouders. In veel gevallen is deze informatie van ouders echter
sterk beïnvloed door de beleving van de ouders zelf, wat voor kinderen soms eerder verwarrend dan geruststellend werkt. In een gerechtelijke procedures is het spreekrecht voor de kinderen wettelijk geregeld. Maar in de bemiddelingspraktijk
is men nog zoekend naar de meest werkbare formule. Bij de invloed of impact van kinderen gaat het niet zozeer gaat over het rechtstreeks effect dat kinderen op een ouderlijke beslissing hebben maar wel over het feit dat ze er als kind zijn en voor de ouders een verschil maken. In de praktijk beseffen bemiddelaars dat kinderen invloed willen en dat ze willen
dat men rekening houdt met wat zij te vertellen hebben. Maar hoe komen we hiertoe? Moeten bemiddelaars het kind formeel uitnodigen en een plaats geven in een formeel gesprek? Met de bemiddelaar, met de rechter zelf? Met een ‘derde’? Welke algemene werkvorm garandeert het best dat kinderen zich gehoord voelen? Wat is de insteek van kinderen zelf hierover?